Eigen vermogen

Het eigen vermogen van de provincie bestaat eind 2016 uit de algemene reserve ter grootte van € 59,4 mln en uit de programmareserves ter grootte van € 347,4 mln.

Ontwikkeling reservepositie

(bedragen x € 1 mln)

Eindsaldo 2015*

Eindsaldo 2016

Eindsaldo 2017

Eindsaldo 2018

Eindsaldo 2019

Algemene reserve

84,9

59,4

50,8

48,9

45,3

Programmareserves

376,7

347,4

350,0

324,4

340,3

Totaal eigen vermogen

461,6

406,8

400,9

373,3

385,6

* Het saldo ultimo 2015 betreft de geprognosticeerde standen tot en met Najaarsnota 2015.

De geprognosticeerde stand van het totaal eigen vermogen 2019 neemt ten opzichte van de stand per ultimo 2015 af met € 76 mln. De reserves zijn conform de nota Reserves en Voorzieningen 2014 verdeeld in drie functies, namelijk: buffer-, Egalisatie-, spaarfunctie. De spaarfunctie is inclusief de functie doorgeschoven prestatie.

 
Overzicht verloop eigen vermogen 2019 ten opzichte van 2015, per functie

Onderwerp

(bedragen x € 1 mln)

Beginsaldo

2016

Mutaties

2016-2019

Eindsaldo

2019

Bufferfunctie inclusief algemene reserve

90,7

-13,6

77,1

Egalisatie functie

20,1

46,3

66,4

Spaarfunctie, inclusief doorgeschoven prestaties

350,8

- 108,7

242,1

Totaal eigen vermogen 2019 t.o.v. 2015

461,6

- € 76,0

385,6

 
1. Bufferfunctie, inclusief algemene reserve

Er is sprake van een buffer als de reserve is ingesteld om risico's / onverwachte tegenvallers op te kunnen vangen. Dit betreft in ieder geval het vaste deel van de algemene reserve. De algemene reserve neemt tot met 2019 af met € 39,6 mln. Daarnaast zijn er specifieke reserves met een bufferfunctie. Het betreft de reserves Revolverend Verenfonds, InnovationQuarter, ROM-D en risicoreserve Energiefonds. Verwachte risico's zijn wel in beeld, maar er is nog geen concrete aanwijzing dat ze zich ook daadwerkelijk gaan voordoen. Deze reserves nemen toe met € 26,0 mln in 2019 ten opzichte van 2015.

2. Egalisatiefunctie

Van een egalisatiefunctie is sprake als de reserve pieken en dalen in de exploitatiebegroting opvangt. Dit zijn vooral de egalisatiereserves met betrekking tot diverse reserves Kapitaallasten, Bereikbaarheid, Apparaatslasten DLG en Kosten/risico's bestuursdwang omgevingsdiensten. Vooral de kapitaallasten verschuiven in tijd door de invoering van de nota Investeringen, Waarderingen en Afschrijvingen (IWA) 2014. Met afschrijven wordt conform de nota IWA 2014 gestart in het jaar na gereedmelding van het actief. Voorheen werd jaarlijks gestart met afschrijven van alle investeringsuitgaven en dus niet gewacht tot het actief gereed was.

3. Spaarfunctie, inclusief doorgeschoven prestaties

De spaarfunctie betreft de reserves die zijn ingesteld om in de toekomst een bepaalde prestatie / doel te realiseren. De doorgeschoven prestatie zijn reserves, die binnen één jaar een bepaalde prestaties gaan realiseren. Deze reserves lopen afhankelijk van de looptijd van de betreffende reserve tot met en 2019 af met € 108,7 mln.

EMU-saldo

Het EMU-saldo is het totaal aan inkomsten minus uitgaven van de rijksoverheid, sociale fondsen en lokale overheden (onder andere gemeenten, provincies en waterschappen). Als de uitgaven hoger zijn dan de inkomsten spreken we van een EMU-tekort. Rijk en decentrale overheden hebben afgesproken dat decentrale overheden tezamen een EMU-tekort morgen hebben van maximaal 0,5% van het bruto binnenlands product (BBP).

Het Rijk stelt vervolgens periodiek vast (in overleg met decentrale overheden) wat het maximale aandeel hiervan mag zijn van respectievelijk gemeenten, provincies en waterschappen. Vervolgens stelt het Rijk op basis hiervan per individuele decentrale overheid een referentiewaarde vast. De referentiewaarde voor het eerstvolgende begrotingsjaar wordt in de septembercirculaire bekendgemaakt.

De wet Houdbare overheidsfinanciën geeft het Rijk de mogelijkheid om maatregelen te treffen als decentrale overheden hun gezamenlijke norm overschrijden en er meerjarig geen zicht is op verbetering. Het kan hierbij gaan om het faseren van investeringen of (als ultimum remedium) het korten van het Gemeente- en/of Provinciefonds. Rijk en decentrale overheden hebben afgesproken dat er deze kabinetsperiode geen maatregelen getroffen zullen worden bij een overschrijding. Het Rijk is overigens voornemens om de EMU-norm voor decentrale overheden aan te scherpen. Dit kan ook consequenties hebben voor de referentiewaarde van Zuid-Holland.

In onderstaande tabel staat aangegeven hoe het EMU-saldo zich meerjarig ontwikkeld ten opzichte van 2014.

Daarbij wordt ook een vergelijking gemaakt van de referentiewaarde zoals die geldt in 2015.

Uit de tabel blijkt dat het EMU-tekort van de provincie Zuid-Holland de komende jaren toeneemt. Dit komt hoofdzakelijk door een toename van de investeringen. Zoals bijvoorbeeld de RijnlandRoute (€ 278 mln geplande afronding in 2023), HOV-Net Zuid-Holland Noord vanaf 2017 € 145,5 mln en Parallelstructuur A12/Moordrechtboog in 2017 € 98,5 mln.

EMU-saldo versus maximaal toegestane EMU-tekort (referentiewaarde)

(bedragen x € 1 mln)

Jaarrekening 2014

Begroting 2015

Begroting 2016

Raming 2017

EMU-saldo

-3,0

-144,5

-202,7

-278,6

Referentiewaarde 2015

-78,8

-75,2

-75,2

-75,2

Verschil

75,8

-69,3

-127,5

-203,4

Deze cijfers hebben geen consequenties voor de provincie Zuid-Holland. Het Rijk treft immers vooralsnog geen maatregelen. Bovendien verwacht het CBS (op basis van cijfers van decentrale overheden), dat decentrale overheden binnen de normen blijven. Van belang is verder dat de minister van Financiën bij de behandeling van de wet Houdbare overheidsfinanciën in de Tweede Kamer meerdere keren heeft aangegeven dat de wet geen gevolgen zal hebben voor investeringen van decentrale overheden. Dit geldt dus niet alleen voor deze kabinetsperiode, maar ook daarna.

In het bestuurlijk overleg financiële verhoudingen (Bofv) van 14 september 2015 is overleg gevoerd over de EMU-norm voor 2016 en 2017. De minister van Financiën informeert de Staten-Generaal over de uitkomst en de EMU-norm. De vaststelling vindt plaats nadat er tenminste vier weken na de mededeling zijn verstreken en de Tweede Kamer zich over dit voornemen uitspreekt (zogenaamde voorhangprocedure).