Financiele ruimte

Het Hoofdlijnenakkoord 2015-2019 is integraal verwerkt in de begroting. Het saldo van de meerjarenraming 2016-2019 is ten opzichte van het Hoofdlijnenakkoord in totaal (som 2016 tot en met 2019) € 7,6 mln voordelig. In 2016 is er nog sprake van een nadelig saldo van € 1,8 mln. Het voordeel ten opzichte van het Hoofdlijnenakkoord treedt op met ingang van 2019. In onderstaande tabel is het financieel kader uit het Hoofdlijnenakkoord weergegeven, gevolgd door de mutaties in de begroting die nog niet bekend waren bij het opstellen van het Hoofdlijnenakkoord. Per post is onder de tabel een korte toelichting opgenomen.

 
Mutaties financiële ruimte

(bedragen x € 1 mln)

 

Begroting 2016

Raming 2017

Raming 2018

Raming 2019

 

Beginstand op basis Begroting 2015

 

19,3

30,4

33,8

31,9

 

A

Informatiebrief voor de verkenningsfase nieuwe coalitie

         

1

Provinciefonds (Septembercirculaire 2014)

 

-1,0

-1,0

-1,0

-1,0

2

Rentelasten nieuwe geldleningen

 

-1,3

-1,7

-1,7

-6,0

3

Loonontwikkelingen

 

-2,3

-2,3

-2,3

-2,3

4

Meerjarenonderhoud provinciehuis

 

-3,8

-0,4

-0,5

-0,5

 

Beschikbaar saldo baten en lasten Hoofdlijnenakkoord

 

10,9

25,0

28,3

22,0

 

B

Hoofdlijnenakkoord 2015-2019

         

5

Opbouw risicoreserve revolverend verenfonds

i

-1,3

-1,3

-1,2

-1,2

6

Beheer 2e / 3e programmaperiode NNN

 

0,0

0,0

-0,5

-1,0

7

Uitvoeringsprogramma Groen

i

-10,0

-10,0

-10,0

-10,0

8

Intensiveren bijdrage toezicht en handhaving

 

-0,5

-0,5

-0,5

-0,5

9

Vergunningverlening in relatie tot decentralisatie natuurbeleid

 

-0,5

-0,5

-0,5

-0,5

10

Vrijval beheerlasten door overdracht provinciale recreatiegebieden

 

0,0

0,0

0,3

0,3

11

Ondersteunen samenwerkingsverbanden economische clusters

i

-1,5

-1,5

-1,5

-1,5

12

Stimuleren innovatie MKB

i

-3,5

-3,5

-3,5

-3,5

13

Regierol provinciale energieagenda

i

-1,3

-1,3

-1,2

-1,2

14

Opbouw risicoreserve Energiefonds

i

-3,0

-6,0

-6,0

-6,0

15

Behoud erfgoedlijnen

i

-2,0

-2,0

-2,0

-2,0

16

Intensivering cultureel erfgoed

i

-1,5

-1,5

-1,5

-1,5

17

Afbouwen subsidies maatschappelijke participatie

 

2,3

6,4

10,5

10,5

18

Borgen kennis sociaal domein / maatschappelijke ontwikkelingen

 

-1,7

-1,7

-1,7

-1,7

19

Versterken kwaliteit organisatie

i

-1,3

-1,3

-1,2

-1,2

20

Transparante overheid (open overheid, open spending, open data)

i

-1,3

-1,3

-1,2

-1,2

21

opcenten motorrijtuigenbelasting (verlaging tarief)

 

-10,0

-10,0

-10,0

-10,0

22

Overige reserves

i

2,5

2,4

2,4

2,4

 

Inzet vrije ruimte algemene reserve

i

23,7

8,6

1,0

13,8

 

Eindsaldo baten en lasten Hoofdlijnenakkoord

 

0,0

0,0

0,0

6,0

 

C

Begroting 2016-2019

         

23

Provinciefonds (Meicirculaire 2015)

 

-1,4

-1,4

-1,4

-1,4

24

opcenten motorrijtuigenbelasting (ontwikkeling wagenpark)

 

2,0

2,0

2,0

5,0

25

Correctie meerjarenraming Begroting 2015

 

-3,2

-3,2

-3,2

-3,2

26

Rente op geldleningen

 

1,3

2,9

3,0

3,6

27

Stelpost balansverplichtingen

 

-0,5

-0,5

-0,5

-0,5

28

Overige < 0,5 mln

i

0,0

0,2

-0,9

0,6

 

Saldo Begroting 2016-2019

 

-1,8

0,1

-0,9

10,2

 

 

Inzet vrije ruimte algemene reserve

 

1,8

-0,1

0,9

-10,2

 

Eindsaldo Begroting 2016-2019

 

0

0

0

0

De voordelige saldi worden toegevoegd aan de algemene reserve. Het saldo van de algemene reserve per ultimo 2019 komt hiermee op € 45,3 mln (na afronding en inclusief het resultaat van de Najaarsnota 2015 van € 1,9 mln), waarvan € 15,3 mln vrij besteedbaar. In het Hoofdlijnenakkoord werd nog uitgegaan van een vrij besteedbaar saldo van afgerond € 6,0 mln. De ontwikkeling van de algemene reserve is in onderstaande tabel weergegeven.

 
Geraamde stand algemene reserve 2016 - 2019

(bedragen x € 1 mln)

2016

2017

2018

2019

Beginsaldo na verwerking Najaarsnota 2015 (€ 1,9 mln voordeel)

84,9

59,4

50,8

48,9

Dekking Hoofdlijnenakkoord

-23,7

-8,6

-1,0

-13,8

Financiële ruimte begroting

-1,8

0,1

-0,9

10,2

Eindsaldo

59,4

50,8

48,9

45,3

Zie voor een nadere toelichting op de ontwikkeling van het eigen vermogen de paragraaf “Omvang van de reservepositie” in dit hoofdstuk,

 

A. Informatiebrief voor de verkenningsfase nieuwe coalitie

1. Provinciefonds (Septembercirculaire 2014)

In de verkenningsfase nieuwe coalitie is op basis van de September- en Decembercirculaire 2014 uitgegaan van een structureel nadelige ontwikkeling van de algemene uitkering van € 1 mln, omdat het Rijk een lagere onderschrijding van het plafond van het BTW-compensatiefonds verwachtte.

2. Rentelasten nieuwe geldleningen

In de verkenningsfase nieuwe coalitie is ervan uitgegaan dat de rentelasten die Zuid-Holland betaalt op afgesloten en nog af te sluiten leningen toe zou nemen ten opzichte van de Begroting 2015 door een bijgewerkte balanspositie ultimo 2014 (zie ook de toelichting bij punt 26).

3. Loonontwikkelingen

In 2014 hebben bonden en werkgever een onderhandelingsakkoord bereikt voor een nieuwe cao voor de provincies. Dit heeft onder andere geresulteerd in een structurele loonsverhoging van 2% per 1 januari 2015 en 1% per 1 juli 2015. Het effect van deze cao op de begroting bedraagt structureel € 3,3 mln.

In de Begroting 2015 was een reservering opgenomen ter grootte van € 1 mln structureel voor onvoorziene prijsstijgingen (behoedzaamheidsmarge). Dit bedrag is ingezet ter dekking van de hierboven beschreven stijging van de loonkosten. Het resterende benodigde bedrag van € 2,3 mln komt ten laste van de financiële ruimte.

4. Meerjarenonderhoud provinciehuis

In de verkenningsfase nieuwe coalitie is rekening gehouden met de vorming van een voorziening voor groot onderhoud van het provinciehuis. Met deze voorziening worden de benodigde budgetten voor het voorkomen van achterstallig onderhoud op orde gebracht. Daarnaast worden, dankzij een jaarlijkse storting in de voorziening van € 1 mln, waarvan € 0,6 mln uit eigen middelen Facilitaire Zaken en € 0,4 mln aanvullend uit de algemene middelen, pieken in de jaarlijkse kosten voorkomen.

Voor de vorming van de voorziening wordt in 2016 eenmalig een extra dotatie € 3,4 mln gestort vanuit de algemene middelen.

 

B. Hoofdlijnenakkoord 2015-2019

5. Opbouw risicoreserve revolverend verenfonds

Het doel van het revolverend verenfonds is om de Zuid-Hollandse veren voor forenzen en scholieren te behouden. Daarom worden middelen beschikbaar gesteld aan veren om hun veerponten te vernieuwen en te renoveren tegen een lagere rente. Om risico's van het mogelijk niet kunnen terug betalen van leningen door de veren uit te sluiten, wordt een risicoreserve van € 5,0 mln gevormd. In 2016 wordt de eerste € 1,3 mln in de risicoreserve gestort.

6. Beheer 2e / 3e programmaperiode Natuur Netwerk Nederland (NNN)

In het Hoofdlijnenakkoord zijn middelen beschikbaar gesteld voor structurele dekking van de kosten van het beheer van de provinciale natuuropgave. De beheerkosten van de nog in te richten natuurgebieden van het Natuurnetwerk Nederland in de 2 e en 3 e programmaperiode (ná 2016) lopen jaarlijks op naar € 2,2 mln vanaf 2022. Vanaf 2018 stelt de provincie € 0,5 mln beschikbaar oplopend naar € 2,2 mln in 2020. De middelen worden uitgekeerd via de subsidieregeling voor natuurbeheer.

7. Uitvoeringsprogramma Groen

Voor het Uitvoeringsprogramma Groen (UPG) hebben GS in het Hoofdlijnenakkoord incidenteel € 40 mln beschikbaar gesteld; € 10 mln per jaar in de periode 2016 tot en met 2019. Deze middelen zijn als volgt verwerkt in de begroting:

  • € 8,3 mln in 2016 en € 8,1 mln per jaar in 2017 t/m 2019 voor doel 1-3 “Groenblauwe structuur versterkt samenhang stad-land en recreatieve gebruiks- en belevingswaarde landschap”. Beoogd wordt met deze middelen recreatieve groen- en watergebieden en recreatieve stad-landverbindingen te realiseren en te verbeteren. Tevens wordt vrijwilligersinzet in het groen ondersteund.

  • € 1,7 mln in 2016 en € 1,9 mln per jaar in 2017 t/m 2019 voor doel 1-5 “Sterke positie voor duurzame ecologische rendabele grondgebonden landbouw”. GS stelt in december 2015 het 'Ambitiedocument Grondgebonden Landbouw' vast. Met dit document wordt het doel voor de besteding van de middelen voor dit collegeperiode bepaalt.

8. Intensivering bijdrage toezicht en handhaving

In het Hoofdlijnenakkoord is het uitgangspunt opgenomen dat natuur- en recreatiegebieden die subsidie van de provincie ontvangen gratis toegankelijk en veilig zijn voor wandelaars, fietsers en ruiters. Daarom intensiveert de provincie haar bijdrage voor toezicht en handhaving van natuurterreinen (structureel € 0,5 mln per jaar). De middelen worden toegekend aan de beheerders van natuurterreinen. Meer toezicht borgt het behoud van de kwaliteit van natuurterreinen.

9. Vergunningverlening in relatie tot decentralisatie natuurbeleid

De taken die op het gebied van de nieuwe natuurwet naar de provincie toekomen in verband met de decentralisatie van het natuurbeleid wil de provincie adequaat uitvoeren. De extra middelen ad € 0,5 mln per jaar worden ingezet voor het organiseren en innoveren van natuurbeheer in Natuurnetwerk Nederland (zie taak 1.4.2).

10. Vrijval beheerlasten door overdracht provinciale recreatiegebieden

De lasten voor het doel 1-3 “Groenblauwe structuur versterkt samenhang stad-land en recreatieve gebruiks- en belevingswaarde landschap” worden met ingang van 2018 € 0,3 mln lager als gevolg van de overdracht van provinciale recreatiegebieden aan particulieren en medeoverheden.

11. Ondersteunen samenwerkingsverbanden economische clusters

Via het Hoofdlijnenakkoord zijn middelen (totaal incidenteel € 6 mln) ter beschikking gesteld voor de regionale netwerken topsectoren. Dit betreft de ondersteuning van samenwerkingsverbanden die publieke en private partijen samenbrengen rondom economische clusters met veel groeipotentie. Dit leidt in 2016 tot en met 2019 tot hogere lasten van jaarlijks € 1,5 mln. Het budget is toegevoegd aan doel 3-1 “Een groeiende, duurzame en innovatieve economie”

12. Stimuleren innovatie MKB

Via het Hoofdlijnenakkoord zijn middelen (totaal incidenteel € 14 mln) beschikbaar gesteld voor stimuleren van innovatie binnen het midden- en kleinbedrijf (MKB). Dit leidt in 2016 tot en met 2019 tot hogere lasten van jaarlijks € 3,5 mln. Het budget is toegevoegd aan doel 3-1 ”Een groeiende, duurzame en innovatieve economie”.

13. Regierol provinciale energieagenda

Samen met partners stelt de provincie een nieuwe provinciale energieagenda op. Via het Hoofdlijnenakkoord zijn hiervoor middelen (totaal incidenteel € 5 mln) beschikbaar gesteld. Dit leidt tot hogere lasten in de periode 2016 tot en met 2019 . Het budget is toegevoegd aan doel 3-2 ”Duurzame energie”.

14. Opbouw risicoreserve Energiefonds

Voor nieuwe ambities en/of technieken die nodig zijn voor de energietransitie stelt de provincie een energiefonds in ter grootte van € 100 mln en selecteert de provincie voor haar participaties en deelnemingen op het hoogst economisch maatschappelijk rendement. Voor dit fonds wordt een risicoreserve van € 25 mln opgebouwd gedurende de periode 2016 tot en met 2020. Zie doel 3-2 “Duurzame energie”.

15. Behoud erfgoedlijnen

In het Hoofdlijnenakkoord zijn middelen (totaal incidenteel € 8 mln) ter beschikking gesteld voor de continuering van het succesvolle erfgoedbeleid. Dit leidt in de periode 2016 tot en met 2019 tot jaarlijks € 2 mln hogere lasten. Deze middelen zijn toegevoegd aan doel 3-6 “Beschermd, bekend en beleefbaar cultureel erfgoed”.

16. Intensivering cultureel erfgoed

Via het Hoofdlijnenakkoord is incidenteel € 6 mln beschikbaar gesteld voor het bereiken van diverse ambities vallend onder doel 3-6 “Beschermd, bekend en beleefbaar cultureel erfgoed”. Dit leidt jaarlijks tot € 1,5 mln hogere lasten in de periode 2016 tot en met 2019.

17. Afbouwen subsidies maatschappelijke participatie

Zorg- en welzijnstaken zijn na de decentralisaties bij de gemeenten belegd. In het Hoofdlijnenakkoord wordt de subsidie aan instellingen op het gebied van maatschappelijke participatie binnen deze programmaperiode afgebouwd. Dit leidt tot een verlaging van de lasten die in de programmaperiode oploopt en vanaf 2018 structureel € 10,5 mln per jaar bedraagt (in totaal in de periode € 29,7 mln).

18. Borgen kennis sociaal domein / maatschappelijke ontwikkelingen

Gelijktijdig met het afbouwen van de subsidies voor maatschappelijke participatie wordt in het Hoofdlijnenakkoord vanaf 2016 structureel € 1,7 mln beschikbaar gesteld voor de borging van de kennis op het gebied van het sociale domein en maatschappelijke ontwikkelingen.

19. Versterken kwaliteit organisatie

De provincie zet in op het versterken van de kwaliteit van de organisatie om die voldoende toekomstbestendig te maken. Het adaptief vermogen om in te spelen op nieuwe maatschappelijke opgaven (bijvoorbeeld energietransitie) dient te worden versterkt. Dit vergt een kwaliteitsimpuls op het huidige personeelsbestand en het binnenhalen van ontbrekende kennis om maatschappelijke opgaven op te pakken. Daarnaast wordt ingezet op het stimuleren van uitwisseling personeel, voortzetten traineeprogramma en extra stageplekken. In het Hoofdlijnenakkoord is hiervoor incidenteel € 5 mln beschikbaar gesteld voor de periode 2016 tot en met 2019.

20. Transparante overheid

De provincie wil in Nederland voorop lopen in het transparant maken van de provincie (open overheid, open spending en open data) en investeren daartoe in onze ICT-infrastructuur en werkprocessen die een grotere transparantie mogelijk maken. Op basis van een verkenning van de behoefte van externen, en initiatieven van binnen en buiten de provincie, is eind 2015 een programmaplan vastgesteld met daarin ambitie, doelen en scope. De uitvoering van de deelprojecten uit het plan start in 2015. De samenwerking met de Haagse Hogeschool en andere kennisinstituten wordt geïntensiveerd. De inzet op de websites 'Waar staat je provincie' en 'De Staat van Zuid-Holland' zet de provincie voort.

Incidenteel is hiervoor via het Hoofdlijnenakkoord € 5 mln beschikbaar gesteld, waarvan € 1,3 mln in 2016 en het resterende deel in 2017 tot en met 2019.

21. opcenten motorrijtuigenbelasting (opcententarief)

Provinciale Staten stellen jaarlijks het opcententarief vast. De opcenten op de motorrijtuigenbelasting worden per 2016 blijvend verlaagd van 95 naar 92 opcenten. Dit is opgenomen in het Hoofdlijnenakkoord. Op de opcenten wordt geen inflatiecorrectie toegepast.

22. Overige reserves

In het Hoofdlijnenakkoord is besloten om de overgebleven ISV-middelen in te zetten op de drie hieronder genoemde onderwerpen. Conform de wens van Provinciale Staten zullen deze middelen alleen ingezet worden bij activiteiten die binnen de kaders van ISV vallen.

Kwaliteitsnet Goederenvervoer (doel 2.2: 2016-2017 € 1,3 mln per jaar en 2018-2019 € 1,2 mln per jaar)

Voor de economische ontwikkeling van de topsectoren in Zuid-Holland is een optimale logistiek een belangrijke voorwaarde. In het kwaliteitsnet goederenvervoer zijn de voor het goederenvervoer belangrijke infrastructurele verbindingen opgenomen. Het vormt een multimodaal netwerk waarover de belangrijkste goederenstromen in Zuid-Holland op een maatschappelijk verantwoorde wijze worden afgewikkeld. Het kwaliteitsnet omvat wegen, vaarwegen en spoorwegen van verschillende wegbeheerders (Rijk, provincie, gemeente, waterschap, havenbedrijf).

In het maatregelenpakket kwaliteitsnet goederenvervoer Zuid-Holland zijn maatregelen opgenomen om de doorstroming op het wegennet voor het goederenvervoer te verbeteren. Veel van deze maatregelen worden uitgevoerd op provinciale wegen. Een voorbeeld hiervan zijn de maatregelen op de Centrale As Westland (N213).

Cultureel Erfgoed (doel 3-6: 2016-2019 € 0,5 mln per jaar)

Ons erfgoed is goud. Dit is een letterlijk citaat uit het Hoofdlijnenakkoord. Daarom is het belangrijk om bij Stedelijke vernieuwing rekening te houden met ons erfgoed en te kijken hoe dit opnieuw kan worden ingepast of herbestemd. Een mooie opgave die ook deze collegeperiode de nodige aandacht zal krijgen.

Groen (doel 1-3: 2016-2019 € 0,8 mln per jaar)

Binnen het gebiedsgericht werken in de omgeving van Leiden zal ook veel aandacht zijn voor de verbinding van Stad en Land. De uitdaging is om in die overgang het beste van beide goed naar voren te laten komen.

 

C. Begroting 2016-2019

23. Provinciefonds ( Meicirculaire 2015)

Uit de Meicirculaire 2015 blijkt dat sprake is van een structureel nadelige ontwikkeling van € 1,4 mln. Dit is het gevolg van een lager accres in 2014 / 2015 en diverse ontwikkelingen in de verdeelmaatstaven, zoals de wijziging van het peiljaar inzake de eigen inkomsten uit de opcenten motorrijtuigenbelasting.

Uit de meicirculaire blijkt ook dat het Rijk verwacht dat de nadelige ontwikkeling van de algemene uitkering zich de komende jaren licht gaat herstellen en dat er vanaf 2019 weer sprake zal zijn van een structureel positieve ontwikkeling. Omdat dit nog ver in de tijd ligt en er dan ook een nieuw kabinet is aangetreden, is hier in de provinciale meerjarenbegroting niet op geanticipeerd.

24. opcenten motorrijtuigenbelasting (ontwikkeling in het wagenpark)

Bij het ramen van de inkomsten uit de opcenten op de motorrijtuigenbelasting wordt rekening gehouden met ontwikkelingen in het wagenpark. Hierbij gaat het zowel om volume (aantallen auto's en motoren) als gewicht. Deze variabelen zijn van invloed op de omvang van de inkomsten. Bij de raming wordt rekening gehouden met een behoedzaamheidsmarge van 1% om beperkte afwijkingen in volume, gewicht, betaalgedrag en dergelijke op te kunnen vangen.

25. Correctie meerjarenraming Begroting 2015

In de Begroting 2015 is in de meerjarenraming een fout geslopen. Door het verdwijnen van taken was de afname van formatie ad € 3,2 mln op basis van de personeelsbegroting per abuis nog een keer verwerkt, waardoor een te gunstig beeld van de financiële ruimte is gepresenteerd. Dit kwam tijdens het begrotingsproces 2016 naar voren bij het aansluiten en verder integreren van financiële en personele systemen.

26. Rentelasten op geldleningen

Het moment waarop de provincie Zuid-Holland nieuwe leningen nodig heeft schuift steeds verder naar achteren, in de huidige begroting wordt uitgegaan van een financieringsbehoefte van € 18 mln eind 2016. Hierdoor dalen de verwachte rentelasten ten opzichte van de raming voor het Hoofdlijnenakkoord.

Voor de raming van de rentelasten is uitgegaan van een marktrente van 2,72% op toekomstig aan te trekken leningen. Dit komt overeen met het verwachte percentage zoals gebruikt in de Begroting 2015 en het financieel kader in het Hoofdlijnenakkoord. De huidige marktrente voor langlopende leningen (circa 1,8%) ligt een stuk lager. De verwachting is dat de lange rente in 2016 zal stijgen door de aantrekkende economie, stijgende inflatie en het aflopen van het opkoopprogramma van de ECB. Daarom wordt vanuit behoedzaamheidsoverwegingen het 'oude' percentage in de Begroting 2016 gehanteerd. Dit is vanuit historisch oogpunt nog steeds een laag percentage.

27. Stelpost balansverplichtingen

In de meerjarenraming 2016-2018 is rekening gehouden met een stelpost Vrijval van balansverplichtingen ter grootte van - € 0,5 mln (structureel). Deze stelpost wordt gerealiseerd door subsidieafrekeningen die lager uitvallen dan in de jaarrekening is opgenomen. Met het oog op het Hoofdlijnenakkoord 2015-2019 is kritisch gekeken naar deze negatieve stelpost in programma Middelen. De afspraak in het Hoofdlijnenakkoord dat voor groen (NNN en UPG) en mobiliteit in principe een 'gesloten systeem' geldt, geeft de noodzaak tot een andere oplossing. De vrijval van subsidieverplichtingen wordt daardoor niet meer verwerkt in het programma Middelen, maar in de desbetreffende beleidsprogramma's. Daarom wordt de stelpost opgeheven. Jaarlijks zal bij Najaarsnota een inschatting worden gemaakt over de verwachte vrijval van subsidieverplichtingen, per programma.

 

Baten

De baten bedragen € 679,4 mln. Onderstaande diagram geeft de baten per programma weer.

Specificatie baten Begroting 2016 (bedragen x € 1 mln)

Onderwerp

Bedrag

 

1 opcenten MRB

323,0

48%

2 Provinciefonds

248,8

37%

3 Bijdragen derden

75,1

11%

4 Overige baten

32,5

5%

Totaal

679,4

100%

1. opcenten MRB

De opbrengst uit de provinciale belastingen (opcenten Motorrijtuigenbelasting) zijn vrij besteedbaar. In de wet is deze belasting opgenomen als algemene belasting. Zie ook in dit hoofdstuk de paragraaf Financiële Ruimte, onderdeel 21 en 24.

2. Provinciefonds

Het Provinciefonds is via het zogeheten accres gekoppeld aan de ontwikkeling van de rijksuitgaven. Het betreft algemene middelen, waarbij de provincies de vrijheid hebben om deze naar eigen keuze in te zetten. Dit geldt in principe ook voor de zogenaamde decentralisatie-uitkeringen. Deze uitkeringen hebben wel een relatie met een specifieke taak, maar het staat de provincies vrij om meer of minder geld dan de decentralisatie-uitkering te besteden aan de uitvoering van de taak.

In een aantal gevallen betreft de decentralisatie-uitkering incidentele middelen voor de uitvoering van een bepaald project waarbij ook andere partijen zijn betrokken en waarbij afspraken zijn gemaakt over de omvang van de inzet van de middelen. In die gevallen is er sprake van bestuurlijke of juridische beklemming.

Specificatie van de uitkering Provinciefonds (bedragen x € 1 mln)

Onderwerp

Bedrag

Meicirculaire 2015

 

Algemene uitkering

97,0

Decentralisatie-uitkeringen

153,8

Totaal

250,8

Behoedzaamheid (zie ook Budgettair kader, paragraaf Financiële ruimte, onderdeel 3)

- 2,0

Totaal Provinciefonds Begroting 2016

248,8

 
Overzicht decentralisatie-uitkeringen Meicirculaire en Septembercirculaire 2015 (bedragen x € 1 mln)

Onderwerp

Bedrag

Rijksbijdrage verkeer en vervoer (voormalig BDU)

95,0

Natuur

32,7

Bodemsanering

4,1

Monumentenzorg t/m 2018

3,0

Sterke regio's / Coolport

1,0

BRZO-inrichtingen en RIE-4 installaties

2,7

Programma impuls omgevingsveiligheid 2015-2018

15,3

Totaal decentralisatie-uitkeringen

153,8

Hieronder volgt een nadere toelichting op eventuele juridische beklemming van de budgetten die zijn gedekt uit de decentralisatie-uitkeringen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de decentralisatie-uitkeringen slechts een van de algemene dekkingsmiddelen is, naast bijvoorbeeld de algemene uitkering Provinciefonds en de inkomsten uit de opcenten Motorrijtuigenbelasting. De totale begroting is structureel in evenwicht, maar er is geen één op één relatie aan te geven tussen specifieke exploitatiebudgetten en de algemene dekkingsmiddelen.

Rijksbijdrage verkeer en vervoer, voormalig BDU

Dit betreft twee uitkeringen:

  • € 93,1 mln Rijksbijdrage verkeer & vervoer.

  • € 1,9 mln Rijksbijdrage projecten verkeer en vervoer.

In verband met een wijziging van de wet BDU ontvangt de provincie Zuid-Holland met ingang van 2016 een rijksbijdrage verkeer en vervoer en een rijksbijdrage projecten verkeer en vervoer. De rijksbijdragen vervangen de BDU. De administratieve afhandeling van de BDU zal nog enkele jaren zichtbaar blijven in de planning & control producten. Bij Voorjaarsnota 2016 zullen concrete voorstellen worden voorgelegd.

De ontvangen rijksbijdragen worden door middel van een Bestedingsplan aangewend. Belangrijke uitgaven zijn de subsidies in het kader van de OV concessies en contracten.

Natuur

In het Natuurpact 2013 is de overdracht van taken en verantwoordelijkheden van Rijk naar provincie vastgelegd. Via de decentralisatie-uitkering ontvangt de provincie een bedrag voor het beheer en de aanleg van natuur. Vanwege een kasschuif is het bedrag in 2014 en 2015 verlaagd. In 2016 en 2017 wordt deze verlaging gecompenseerd met een extra uitkering. Vanaf 2016 worden de middelen ook ingezet voor de aanleg van Natuur Netwerk Nederland (NNN), voorheen Ecologische Hoofdstructuur.

Bodemsanering

De uitkering uit het Provinciefonds voor bodemsanering wordt ingezet voor het Convenant Bodem en Ondergrond 2016-2020, dat is afgesloten tussen het ministerie van IenM, IPO, UvW en VNG. Hierin zijn afspraken gemaakt over de uitvoering van het bodembeleid en de daarvoor beschikbare financiën.

Monumentenzorg

De monumentenzorg wordt voor de helft (€ 1,5 mln) uitgevoerd binnen de erfgoedlijnen en voor de andere helft (€ 1,5 mln) buiten de erfgoedlijnen. Voor beide zijn subsidieregelingen en plafonds vastgesteld en op basis hiervan zijn beschikkingen opgesteld.

Sterke regio's

Deze uitkering loopt af in 2016. De uitkering heeft betrekking op Coolport. Middelen van Coolport zijn toegewezen aan het project kwaliteitsnet goederenvervoer. Deze worden gebruikt als dekking voor het MPI en zijn in het geheel juridisch beklemd.

BRZO-inrichtingen (Besluit Risico Zware Ongevallen 1999) en RIE-4-installaties (Richtlijn Industriële Emissies-categorie 4).

Provincies nemen vanaf 1 januari 2016 van gemeenten het bevoegd gezag over voor alle BRZO-inrichtingen en RIE-4-installaties. Onze provincie ontvangt conform de Septembercirculaire 2015 in 2016 € 2,7 mln en vanaf 2017 structureel € 2,6 mln.

Programma impuls omgevingsveiligheid 2015-2018

De provincie ontvangt conform de Septembercirculaire 2015 voor impuls omgevingsveiligheid voor 2016 € 15,3 mln. Het programma loopt door tot 2018. De decentralisatie-uitkering voor de jaren na 2016 worden in 2016 gepubliceerd. Om de kwaliteit van het omgevingsveiligheid verder te verbeteren zijn Rijk, provincies en gemeenten samen met de brandweer in 2015 gestart met het programma Impuls Omgevingsveiligheid. De Impuls Omgevingsveiligheid (IOV) is een belangrijk instrument om in de periode 2015 tot en met 2018 die borging van omgevingsveiligheid alsnog te realiseren.

De impuls bestaat uit vier deelprogramma's met een eigen doelstelling:

  1. BRZO (Besluit Risico Zware Ongevallen 1999).

  2. Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS)

  3. Informatie en Kennisinfrastructuur

  4. Lokaal Externe Veiligheidsbeleid

Het programma is opgesteld door vertegenwoordigers van IPO, de gezamenlijke provincies, VNG, Brandweer Nederland en het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en in het Bestuurlijk Omgevingsberaad geaccordeerd.

3. Bijdragen derden

Bijdragen derden (bedragen x € 1 mln)
 

Bedrag

Rijksbijdragen

41,0

Mobiliteitsprojecten en -activiteiten

12,7

Inkomsten G.Z-H

10,1

EU bijdragen

7,0

Overig

4,3

Totaal

75,1

Bijdragen van derden betreffen voor een groot deel doeluitkeringen van het Rijk voor specifieke doelen (€ 41 mln). Deze zijn juridisch beklemd. Doeluitkeringen dienen te worden besteed aan het desbetreffende doel. Als dat niet het geval is, bestaat er een terugbetalingsverplichting. Over de besteding wordt verantwoording afgelegd aan het Rijk, bijvoorbeeld door middel van de Verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen (SiSa) bij de jaarrekening. Hieronder volgt een specificatie van de rijksbijdragen.

Doeluitkeringen van het Rijk / inzet overlopende passiva (bedragen x € 1 mln):
 

Bedrag

Ontwikkelopgave natuur

27,4

Project Mainport Rotterdam

6,9

ISV3

2,5

Bedrijvenregeling bodemsanering

1,8

Voordelta Maasvlakte 2

1,3

Natura 2000 PAS

0,7

Zandmotor

0,3

Boeren voor natuur

0,1

Totaal

41,0

Doeluitkeringen waarvoor een terugbetalingsregeling bestaat worden, conform de uitgangspunten van het BBV, op de balans gereserveerd als ze in het jaar van de uitkering niet tot besteding komen. Dit zijn zogenaamde overlopende passiva (OVP). In het jaar dat de middelen tot besteding komen, worden ze als baat in de begroting opgenomen.

Naast de doeluitkeringen van het Rijk zijn er ook overige juridisch beklemde bijdragen van derden (circa € 30,0 mln) waaronder bijdragen van gemeenten en EU-bijdragen. De grootste posten zijn:

  • € 10 mln inkomsten Groenservice Zuid-Holland. Deze zijn juridisch beklemd op basis van dienstverleningsovereenkomsten met de natuur- en recreatieschappen.

  • € 12,7 mln bijdragen aan mobiliteitsprojecten en -activiteiten. Deze middelen zijn juridisch beklemd als gevolg van afspraken met derde partijen. Het gros van deze middelen is projectgebonden. Enkele voorbeelden van activiteiten die hieronder vallen zijn: regionaal overleg verkeersveiligheid, brugbediening, gladheidsbestrijding en exploitatie Waterbus.

  • € 7 mln EU bijdrage, waarvan: € 6,8 mln voor Agrarisch Natuurbeheer / POP 3, € 0,1 mln voor Frames en € 0,1 mln afrekening EFRO subsidie

4. Overige baten (€ 33 mln)

Dit betreft onder andere:

  • Rente € 28,1 mln. Dit betreft een baat in programma Middelen op basis van de aan de activa toegerekende rente. De toegerekende rente (€ 28,1 mln), verminderd met de werkelijke rentelasten van geldleningen (€ 21,3 mln), vormt dit de zogenaamde bespaarde rente (€ 6,8 mln). Dit voordeel ontstaat doordat activa zijn gefinancierd met eigen vermogen. Hierdoor zijn de werkelijke rentelasten van geldleningen lager dan de aan de activa toegerekende rente. Vanaf het moment dat er meer vreemd vermogen moet worden aangetrokken, zal dit voordeel verdwijnen. Zie ook de paragraaf Financiering in deze begroting.

  • Uitvoering Wabo € 2,1 mln.

  • Precario- en legesopbrengsten € 1,1 mln.