Paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing

 

1. Inleiding

In de paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing gaat het om de vraag in welke mate de financiële positie van de provincie toereikend is om de financiële gevolgen van risico's op te kunnen vangen. Hierbij gaat het om risico's die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie (zoals bijvoorbeeld een korting op het Provinciefonds).

De financiële omvang van deze risico's worden afgezet tegen de zogenaamde weerstandscapaciteit. Dat zijn de middelen die de provincie beschikbaar heeft of kan maken om zo nodig de financiële gevolgen van risico's op te vangen (zoals bijvoorbeeld de algemene reserve).

Deze paragraaf geeft aanvullend op de informatie over risico's en weerstandscapaciteit informatie over de stand van een vijftal financiële kengetallen, die eveneens inzicht bieden in de financiële positie van de provincie.

Met ingang van de Begroting 2016 dienen decentrale overheden deze op te nemen in hun paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing. Het Rijk heeft hiertoe het BBV gewijzigd.

Het gaat om de volgende vijf kengetallen: netto schuld quote, solvabiliteitsratio, kengetal grondexploitatie, opcententarief / landelijke gemiddelde.

 
Leeswijzer

De paragraaf is als volgt opgebouwd:

  • Overzicht van de beleidskaders die relevant zijn voor de paragraaf

  • Samenvattend beeld van risico's, weerstandscapaciteit en financiële kengetallen

  • Overzicht van risico's

 

2. Relevante beleidskaders

Kaders voor de paragraaf zijn afkomstig uit:

  • Het Besluit Begroten en Verantwoorden (BBV): dit zijn regels vanuit het Rijk voor decentrale overheden;

  • De Financiële verordening (eigen beleid, door PS vastgesteld);

  • De beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement (idem).

 
BBV

Het BBV omschrijft het weerstandsvermogen als "de relatie tussen de weerstandscapaciteit [...] en alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie". De paragraaf moet deel uitmaken van zowel de begroting als de jaarrekening en tenminste informatie bevatten over de weerstandscapaciteit, relevante risico's en het beleid omtrent weerstandscapaciteit en risico's.

 
Financiële verordening / beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement

De Financiële verordening schrijft voor dat Provinciale Staten tenminste eenmaal in de vier jaar beleid vaststellen omtrent weerstandsvermogen en risicomanagement. De huidige beleidsnota is in mei 2012 door Provinciale Staten vastgesteld en dient dus in 2016 te worden herzien. De beleidsnota weerstandsvermogen en risicomanagement bevat onder andere beleidsregels inzake:

  • Het gebruik van een standaard methodiek voor identificatie en beheersing van risico's;

  • De samenstelling van de weerstandscapaciteit;

  • De wijze waarop een beroep kan worden gedaan op de weerstandscapaciteit (alvorens een beroep kan worden gedaan op algemene middelen, dient eerst binnen het betreffende doel / programma een oplossing te worden gezocht); risico's die niet (tijdig en volledig) waren aangemeld voor de paragraaf dienen per definitie binnen het betreffende doel / programma te worden opgelost;

  • Een streefwaarde voor de omvang van het weerstandsvermogen.

 

3. Samenvattend beeld

Het provinciale beleid maakt een onderscheid tussen structurele en incidentele weerstandscapaciteit:

  • Structurele weerstandscapaciteit is bedoeld om structurele, financiële gevolgen op te vangen van eenmalige gebeurtenissen (bijvoorbeeld een korting op het Provinciefonds) en van gebeurtenissen die incidentele, financiële gevolgen hebben maar zich wel jaarlijks kunnen voordoen;

  • Incidentele weerstandscapaciteit is bedoeld om de incidentele, financiële gevolgen op te vangen van eenmalige gebeurtenissen (bijvoorbeeld risico van afwaardering aandelenkapitaal).

 
Structurele weerstandscapaciteit

De structurele weerstandscapaciteit bestaat uit:

  • De post onvoorzien binnen programma Middelen;

  • Het structurele deel van het begrotingssaldo;

  • De onbenutte belastingcapaciteit.

In onderstaande tabel staat de omvang van de structurele weerstandscapaciteit weergegeven stand Begroting 2016.

Structurele weerstandscapaciteit

(bedragen x € 1 mln)

Bedrag

1. Post onvoorzien

0,5

2. Begrotingssaldo

0,0

3. Onbenutte belastingcapaciteit

65,3

Totaal

65,8

  1. Dit is een structurele post in programma middelen om onvoorziene ontwikkelingen op te kunnen vangen.
  2. Hiervoor is het gemiddelde begrotingssaldo in de jaren 2016-2019 genomen.
  3. De onbenutte belastingcapaciteit is het verschil tussen de inkomsten uit de opcenten MRB bij het door PS vastgestelde opcententarief (92,0 opcenten) en de inkomsten zoals die zouden zijn als het wettelijk maximaal toegestane tarief zou worden geheven (110,6 opcenten in 2016). Het wettelijk maximum wordt jaarlijks (vermeerderd met de ontwikkeling van de inflatie) vastgesteld door het Rijk.

Er is een bedrag van € 65,8 mln beschikbaar aan structurele weerstandscapaciteit. Deze bestaat hoofdzakelijk uit de onbenutte belastingcapaciteit. De omvang van de structurele risico's is € 14,2 mln. De structurele weerstandscapaciteit is dus ruim voldoende om deze financiële gevolgen op te vangen. Tegenover elke euro aan structurele risico's staat dus circa 4,50 euro aan structurele weerstandscapaciteit.

 
Incidentele weerstandscapaciteit

De incidentele weerstandscapaciteit bestaat uit:

  • De algemene reserve (voor zover juridisch niet beklemd);

  • De programmareserves (idem);

In onderstaande tabel staat de omvang van de incidentele weerstandscapaciteit weergegeven stand Begroting 2016.

Incidentele weerstandscapaciteit

(bedragen x € 1 mln)

Totaalstand

minus juridisch verplicht

1. Algemene reserve (buffer weerstandscapaciteit)

51,1

2. Programmareserves (niet juridisch beklemd)

346,5

Totaal

397,6

  1. Hierbij wordt uitgegaan van de gemiddelde stand van de algemene reserve in de periode 2016-2019.
  2. Hierbij wordt uitgegaan van de stand van de programmareserves tot en met 2015 (stand Najaarsnota); niet juridisch beklemd kan betekenen dat deze middelen wel bestuurlijk beklemd zijn.

Er is een bedrag van € 397,6 mln beschikbaar aan incidentele weerstandscapaciteit (dit bestaat hoofdzakelijk uit het juridisch niet-verplichte deel van de programmareserves). De incidentele, financiële gevolgen van risico's bedragen € 30,1 mln. De incidentele weerstandscapaciteit is dus ruim voldoende om de incidentele, financiële gevolgen van risico's op te vangen. Tegenover elke euro aan incidentele risico's staat een bedrag van circa 13 euro aan incidentele weerstandscapaciteit.

 

Financiële kengetallen

Met ingang van de begroting 2016 nemen decentrale overheden op grond van het BBV in hun paragraaf weerstandsvermogen een zestal financiële kengetallen op. De stand van zaken van deze kengetallen geven tezamen met het weerstandsvermogen inzicht in de financiële positie. Het gaat om de volgende financiële kengetallen:

  • netto schuldquote

  • netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

  • solvabiliteitsratio

  • grondexploitatie

  • structurele exploitatieruimte

  • belastingcapaciteit

Het BBV bevat geen normen voor deze kengetallen. De wijze waarop deze kengetallen meewegen in de beoordeling van de financiële positie is een zaak van PS en maakt dus geen onderdeel uit van het toezicht door het ministerie van Binnenlandse Zaken. In onderstaande tabel zijn de uitkomsten van de zes kengetallen opgenomen (Zie ook de Regeling van de ministerie van BZK tot vaststelling van de wijze waarop kengetallen worden vastgesteld en opgenomen in de begroting. Hierin wordt beschreven welke informatie dient te worden opgenomen in de paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing. Bij de (gecorrigeerde) schuldquote is evenals bij de solvabiliteitsratio voor het jaar 2015 uitgegaan van de stand van de gewijzigde begroting (Najaarsnota 2015); voor de grondexploitatie is voor bepaling van de grondpositie uitgegaan van de balans uit de Jaarrekening 2014.):

 

Jaarrekening
2014

Begroting
2015

Begroting
2016

Netto schuldquote

56,0%

78,7%

115,1%

Netto schulquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen

55,9%

78,7%

115,1%

Solvabiliteitsratio

27,5%

26,0%

26,7%

Grondexploitatie

10,8 %

13,2 %

14,4 %

Structurele exploitatieruimte

13,5 %

10,9%

7,9%

Belastingcapaciteit (tarief PZH t.o.v. gemiddelde)

117,9%

116,9%

111,9%

Uit de tabel blijkt dat de netto schuldquote en het kengetal inzake grondexploitatie toenemen. Dit komt door een afname van de begrote baten. De netto schuldenlast neemt in deze periode juist af. Op basis van de inzichten uit de meerjarenbegroting is de verwachting dat de netto schuldquote na 2016 stijgt door een toename van de netto schuld.

De solvabiliteitsratio blijft nagenoeg gelijk. Op basis van de inzichten uit de meerjarenbegroting is de verwachting dat de ratio na 2016 daalt door een afname van het eigen vermogen (inzet reserves) en een toename van het vreemde vermogen (meer schuld).

De structurele exploitatieruimte en belastingcapaciteit geven ruimte om stijgende lasten op te vangen.

Voor de belastingcapaciteit geldt dat provincie Zuid-Holland weliswaar boven het gemiddelde zit van alle provincies, maar nog wel (circa 15%) onder het door het Rijk vastgestelde wettelijk maximum.

Voor de structurele exploitatieruimte geldt dat deze positief is, maar wel in omvang aan het afnemen is.

 

Korte toelichting op de kengetallen

Netto schuldquote

Dit kengetal geeft een indicatie van de druk van schuldenlast (rente / aflossing) op de eigen middelen.

De quote wordt berekend door de netto schuld te delen door het totaal aan jaarlijkse baten.

De gecorrigeerde schuldquote wordt vervolgens berekend door ook rekening te houden met aan derden verstrekte leningen.

Solvabiliteitsratio

Dit kengetal geeft inzicht in de mate waarin de provincie aan haar financiële verplichtingen kan voldoen. Hiertoe wordt de omvang van het eigen vermogen gerelateerd aan de totale omvang van het vermogen (dus het eigen en het vreemde vermogen).

Grondexploitatie

Dit kengetal geeft aan hoe groot de grondpositie is (de totale waarde van de gronden in eigendom bij de provincie) in relatie tot het totaal aan jaarlijkse baten. De provincie kan namelijk risico's lopen inzake de waardeontwikkeling van gronden die op de balans staan.

Structurele exploitatieruimte

Dit kengetal geeft weer hoeveel structurele ruimte er is om de eigen lasten te dragen, ook als bijvoorbeeld de baten afnemen of lasten in de toekomst gaan toenemen. De ruimte wordt berekend door het structurele saldo (verschil tussen structurele baten en lasten) te delen door het totaal aan jaarlijkse baten.

Belastingcapaciteit

Met het vaststellen van het opcententarief bepalen PS hoeveel extra ruimte er is om eigen lasten te dragen. Met het kengetal uit het BBV wordt het provinciale tarief gerelateerd aan het gemiddelde tarief van alle provincies tezamen. Dat is wat anders dan de feitelijke onbenutte belastingcapaciteit. Dat is namelijk het verschil tussen het tarief dat de provincie Zuid-Holland heft en het door het Rijk wettelijk bepaalde maximum. Deze onbenutte belastingcapaciteit is opgenomen als structurele weerstandscapaciteit in de paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing.

 

4. Overzicht risico's

Voor zowel de begroting als de jaarrekening vindt er een inventarisatie plaats van voor de paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing relevante risico's. Het gaat hierbij om risico's die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.

In onderstaande tabel staat aangegeven welke risico's naar verwachting in de komende jaren spelen. Vervolgens wordt elk risico afzonderlijk toegelicht.

 

In deze begroting zijn de volgende risico's toegevoegd aan de paragraaf:

  • Meerkosten als gevolg van onverwachte incidenten in het areaal (risico 27)

  • Ontwikkelingen bezuinigingen regionale omroepen (risico 33). In de Jaarrekening 2014 was dit het risico komen te vervallen.

 

In deze begroting is het volgende risico komen te vervallen:

  • Meerkosten als gevolg van bezwijken oeverconstructies aan provinciale vaarwegen (dit risico is onderdeel van het nieuwe risico 'meerkosten als gevolg van onverwachte incidenten in het areaal').

In onderstaande tabel staan de risico's die zijn geïnventariseerd voor de paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing. Per risico wordt aangegeven wat de financiële gevolgen zijn, of deze structureel (s) of incidenteel (i) van aard zijn en op welk begrotingsdoel het risico betrekking heeft. De financiële gevolgen (netto effect) worden berekend door de maximale schade te vermenigvuldigen met de kans van optreden van het risico.

 
Tabel 1: informatie over risico's (bedragen x 1 mln)
  

Max. Schade

Kans van

optreden

Netto effect (s)

in €

Netto effect (i) in €

Begrotings-doel (1)

1.

Lagere uitkering Provinciefonds

 

> 20,0

25-50%

7,5

 

5.1

2.

Lagere opbrengsten MRB

 

3,3

0-25%

0,4

 

5.1

3.

Schadeclaims vergunningverlening voor ontgrondingen

 

10,0

0-25%

1.3

 

1.6

4.

Gevolgen waardeontwikkeling grondaandeel Zuidplas

i

17,0

0-25%

 

2,1

3.5

5.

Financiële risico's ontwikkelopgave EHS / UPG

i/s

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

n.t.b.

1.3 / 1.4

6.

Afvalverwerkende en BRZO/IPPC-bedrijven kunnen niet meer aan vergunningplicht voldoen

i

15,0

0-25%

 

1,9

1.6

7.

Garantstelling contract personenvervoer over water

i

6,1

0-25%

 

0,8

2.3

8.

Risico deelname GR Midden-Delfland

i

9,6

25-50%

 

3,6

1.3

9.

Deelname Ontwikkelingsmaatschappij Nieuw Westland

i

1,4

75-100%

 

1,2

3.1

10.

Betwisten subsidiabiliteit EU-subsidies

i

17,4

0-25%

 

2,2

3.1

11.

Niet tot uitvoering komende infrastructurele projecten

i

11,1

0-25%

 

1,4

2.2

12.

Renterisico

 

2,0

25-50%

0,8

 

5.1

13.

Omgevingsrisico's vergunningverlening en handhaving

 

5,0

0-25%

0,6

 

1.6

14.

Maatregelen Rijk EMU-tekort

i

100,0

0-25%

 

12,5

5.1

15.

Onvoldoende middelen voor nazorg gesloten stortlocaties (nog niet overgedragen stortplaatsen)

i

21,2

≈0

 

0,0

1.7

16.

Meerkosten PMR 750 ha

i

15,3

≈0

 

0,0

1.3

17.

Deelname risico ROM-D Capital BV

i

10,0

0-25%

 

1,3

3.1

18.

Deelname risico InnovationQuarter

i

10,0

0-25%

 

1,3

3.1

19.

Geen aflossing gegarandeerde leningen derden

i

3,1

≈0

 

0,0

5.1

20.

Onvoldoende solvabiliteit / liquiditeit regionale omroepen

i

0,5

≈0

 

0,0

4.3

21.

Herinrichting Meeslouwerplas

i

4,4

0-25%

 

0,6

1.2

22.

Noodzakelijk beroep aansprakelijkheidsverzekering

i

3,0

25-50%

 

1,1

1 t/m 5 + BV

23.

Afschaffen forfaitaire index BDU

 

1,4

75-100%

1,2

 

2.3

24.

Derde Merwedehaven

i

n.t.b.

0-25%

 

n.t.b.

1.6

25.

Inlenersaansprakelijkheidsrisico

 

0,3

0-25%

 

0,0

1 t/m 5 + BV

26.

Doorlevering gronden TBO's

i

n.t.b.

n.t.b.

 

n.t.b.

1.3

27.

Meerkosten als gevolg van onverwachte incidenten in het areaal

 

n.t.b.

n.t.b.

PM

 

2.1

28.

Ontwikkeling loonkosten (stijging werkgeverslasten en CAO)

 

2,7

75-100%

2,4

 

1 t/m 5 + BV

29.

Risico's regeling IndividueelKeuzeBudget (IKB)

 

1,4

n.t.b.

n.t.b.

 

1 t/m 5 + BV

30.

Uitbetalen obligaties uitgegeven in 1957 en 1959

i

0,4

0-25%

 

0,0

5,1

31.

Sloopkosten voormalige provinciale bescherming bevolking (BB) bunker

i

0,5

≈0

0,0

0,0

1.3

32.

Restitutie ontgrondingheffing

i

0,1

50-75%

 

0,1

1.6

33

Ontwikkeling bezuiniging op regionale omroepen

i

2,0

≈0

 

0,0

4.3

 

Totaal

 

 

 

14,2

30,1

 

1) BV staat voor 'bedrijfsvoering'

 

1.

Lagere uitkering Provinciefonds

Omschrijving

Risico is dat de inkomsten uit het Provinciefonds afwijken van wat in de begroting geraamd is, door:

  • ontwikkelingen in het accres (het fonds is via het zogeheten accres gekoppeld aan de ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven);

  • ontwikkelingen in de verdeelmaatstaven (bijvoorbeeld aantal inwoners / woonruimten);

  • effecten van taakmutaties (bijvoorbeeld bij nieuwe taken voor provincies of bij overheveling van taken en bijbehorende middelen aan gemeenten);

  • effecten van onder- en overschrijdingen van het plafond van het BTW-compensatiefonds;

  • de mogelijkheid van een eenzijdige korting door een nieuw kabinet.

Impact

Kleine ontwikkelingen (in accres, verdeelmaatstaven, taken, BCF) kunnen naar verwachting worden opgevangen binnen de behoedzaamheidsmarge, die provincie Zuid-Holland hanteert bij het ramen van de inkomsten uit het Provinciefonds (€ 2 mln).

De volgende ontwikkelingen kunnen (mogelijk) een grotere impact hebben:

  • accres: de afgelopen jaren (recent nog in de Meicirculaire 2015) heeft het Rijk (lopende en/of na afloop van het begrotingsjaar) het accres naar beneden bijgesteld;

  • taakmutaties: het Rijk wil bezien hoe middelen voor groen en verkeer & vervoer (voor provincie Zuid-Holland > € 100 mln) geïntegreerd kunnen worden met de systematiek van het Provinciefonds; dit kan leiden tot (voor- danwel nadelige) herverdeeleffecten;

  • generieke korting: een nieuw kabinet kan ervoor kiezen een nieuwe, generieke korting door te voeren op het Provinciefonds (in 2012 was de omvang van de generieke korting voor provincie Zuid-Holland ruim € 20 mln).

Gezien de dynamiek in het Provinciefonds de laatste jaren is de kans op afwijkingen van meer dan € 2 mln in het Provinciefonds reëel. Voor de maximale impact van dit risico wordt cijfermatig aangesloten bij de omvang van de generieke korting in 2012.

Maatregelen

  • op de voet volgen van ontwikkelingen (circulaires / rijksbegroting);

  • betrokkenheid via het IPO bij onder andere verdeelvraagstukken;

  • hanteren behoedzaamheid bij het ramen van de inkomsten uit het Provinciefonds (€ 2 mln).

Status

De commissie Janssen komt naar verwachting eind 2015 in opdracht van het IPO bestuur met een advies over een transparanter verdeelmodel van het Provinciefonds. Aanleiding hiervoor is mede de toevoeging van middelen voor groen en verkeer & vervoer, waardoor de omvang van het Provinciefonds meer dan verdubbelt.

2.

Lagere opbrengsten Motorrijtuigenbelasting (MRB)

Omschrijving

Risico is dat de inkomsten uit de opcenten lager uitvallen dan geraamd.

Bepalend voor de omvang van de inkomsten zijn het aantal belastingplichtige auto's, het gemiddelde gewicht en het betaalgedrag van de belastingplichtigen. Deze variabelen zijn weer afhankelijk van macro-economische factoren (zoals de koopkracht van gezinnen), maatschappelijke ontwikkelingen (veranderende voorkeuren) en wet- en regelgeving (mate waarin sprake is van vrijstellingen).

Impact

De onzekerheid in de omvang van de inkomsten door exogene ontwikkelingen is relatief beperkt. In de raming wordt rekening gehouden met een behoedzaamheid van 1% van de geraamde inkomsten (1% staat voor een bedrag van € 3,3 mln structureel).

De afgelopen jaren is deze marge ruim voldoende gebleken om nadelige ontwikkelingen in de inkomsten op te vangen. De kans op een grotere impact dan deze 1% wordt dan vooralsnog ook als zeer beperkt beschouwd. Dat zou dan echt moeten komen door nieuwe wetgeving (v.b. de invoering van vrijstellingen die de afgelopen jaren juist zijn teruggedraaid) of economische ontwikkelingen (v.b. nieuwe crisis) die leiden tot een afname van het aantal belastingplichtige auto's.

Bij de bepaling van de impact van dit risico wordt uitgegaan van een extra afname van 1% (bovenop de 1% waar al door het behoedzaam ramen rekening mee is gehouden) met een zeer lage kans van optreden (0-25%).

Maatregelen

  • Ontwikkelingen in het wagenpark worden op de voet gevolgd (op basis van de gegevens van de belastingdienst per 1 januari en 1 juli van het kalenderjaar;

  • Maandelijks rapporteert de belastingdienst over de werkelijk ontvangen inkomsten;

  • Bij het ramen van de inkomsten wordt een behoedzaamheidsmarge gehanteerd van 1% (dit staat gelijk aan € 3,3 mln).

Status

De raming voor de Begroting 2016 is gebaseerd op het wagenparkoverzicht van de belastingdienst per 1 juli 2015 en het opcententarief (conform het Hoofdlijnenakkoord 92 opcenten).

3.

Schadeclaims vergunningverlening voor ontgrondingen

Omschrijving

In de Ontgrondingenwet is een regeling voor nadeelcompensatie opgenomen. Nadeelcompensatie houdt in dat de overheid aan belanghebbenden de schade vergoedt die zij ondervinden van een op zichzelf rechtmatig overheidsbesluit. De regeling in de Ontgrondingenwet houdt in dat de provincie aan de aanvrager van de vergunning of aan andere belanghebbenden de schade moet vergoeden die deze lijden als gevolg van een ontgrondingsvergunning, indien deze schade redelijkerwijs niet voor hun rekening hoort te blijven. Ook buiten het geval van nadeelcompensatie is het mogelijk dat de provincie wordt geconfronteerd met een claim van schade die is ontstaan als gevolg van een vergunde ontgronding. In het bijzonder bij grote actuele ontgrondingen, zoals zandwinningen, is het risico op schade aan de omgeving reëel aanwezig.

Impact

Per geval kan de schadeclaim hoog zijn. Dit wordt beïnvloed door de aard en de omvang van de ontgronding en het karakter van de omgeving. Voor een grote zandwinning moet de omvang van de mogelijk te vergoeden schade worden gesteld op circa € 10 mln.

Maatregelen

De vergunningverlening is sinds 1 januari 2013 ondergebracht bij Omgevingsdienst Haaglanden; toezicht en handhaving gebeuren door de omgevingsdienst waarbinnen de desbetreffende ontgronding plaatsvindt. Beperking van dit risico door de provincie vergt adequaat toezicht op een zorgvuldige uitvoering van deze taken door de omgevingsdienst.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. In 2014 heeft de Raad van State een vordering in verband met ambtshalve wijziging ontgrondingenvergunning Zevenhuizerplas afgewezen. In augustus 2015 is er een dagvaarding gekomen voor de stilligschade claim in relatie met deze ambtshalve wijziging. De mogelijkheid tot claims voor deze ambtshalve wijziging verjaart in 2016.

4.

Gevolgen waardeontwikkeling grondaandeel Zuidplas

Omschrijving

De provincie neemt voor 40% deel aan de Gemeenschappelijke Regeling (GR) Grondbank Rotterdam Zoetermeer Gouda (RZG) Zuidplas. Deze gronden zullen ten behoeve van de beoogde gebiedsontwikkeling worden verkocht. De ontwikkeling zal geleidelijk plaatsvinden over een langere periode. De bezittingen van de Grondbank liggen voor een aanzienlijk deel in de deelgebieden die pas na 2025 aan de orde zal komen. De opbrengst van de verkoop is onzeker, het risico bestaat dat de daadwerkelijke waarde van de bij de Grondbank in eigendom zijnde grond lager is dan de boekwaarde, maar het is ook goed mogelijk dat de verkoop leidt tot een hogere opbrengst dan de boekwaarden. Omdat de boekwaarden van alle gronden nu hoger is dan de taxatiewaarde heeft de Grondbank een negatieve algemene reserve. Dit is toegestaan mits er voldoende perspectief is op herstel. Op grond van de in opdracht van de Grondbank uitgevoerde berekeningen is geconstateerd dat dit perspectief er (deels) is. De onzekerheden en afhankelijkheden zijn echter zeer groot. Nieuwe ontwikkelingen in de Zuidplas kunnen overigens op termijn zowel een positief als een negatief effect hebben op de waardeontwikkeling van de gronden. Ook kan aanpassing van het provinciaal ruimtelijk beleid ertoe leiden dat op deelgebieden bepaalde ontwikkelingen niet meer wenselijk zijn. Dit kan leiden tot verminderde opbrengst bij verkoop.

Impact

Per 1 januari 2015 bezit de Grondbank circa 301 ha grond met een boekwaarde van circa € 97 mln. De provincie is voor 40% risicodragend. De GR Grondbank blijft in ieder geval tot 1 januari 2020 bestaan. Bij de berekening van de maximale waardedaling wordt uitgegaan van een situatie waarin de waarde van de grond daalt tot agrarische waarde. Deze maximale waardedaling is aanvullend op het bedrag waarvoor al een voorziening is getroffen.

Maatregelen

  1. Elk jaar wordt 1/3 deel van de gronden opnieuw getaxeerd door een onafhankelijke taxateur. De uitkomst wordt geëxtrapoleerd naar het totale grondbezit. Eventuele waardedalingen of -stijgingen worden verrekend met de deelnemers. Op grond van de eind 2014 uitgevoerde taxaties is geconstateerd dat de marktwaarde € 30 mln lager lag dan de boekwaarde. Dit bedrag is ten opzichte van eind 2013 niet gewijzigd. Bij de Grondbank is daardoor sprake van een negatieve algemene reserve van € 30 mln; de provincie heeft hiertoe bij Jaarrekening 2011 een verliesvoorziening getroffen van € 12 mln (op basis van het provinciale aandeel in het risicodragend deel).

  2. Het bestuur van de Grondbank stelt periodiek een UitnamestrategieKader vast. Hierin zijn onder andere het beleid voor gronduitgifte, het beheer en de stimulering van gebiedsontwikkeling vastgelegd. In 2016 zal een nieuw Uniform Subsidie Kader (USK) worden vastgesteld.

  3. Het risico kan daarnaast beheerst worden door het in ontwikkeling brengen van gronden op basis van de afspraken die de samenwerkende partijen daarover maken.

  4. Gronden op basis van het ruimtelijk beleid niet in aanmerking komen voor verdere ontwikkeling worden door de Grondbank afgestoten.

  5. Het USK uitvoeren zoals beheer van gronden met doel waardebehoud en het proactief reageren op de vraag uit de markt.

Vanaf 2012 worden de rente- en organisatiekosten niet meer aan de boekwaarde toegerekend, maar verwerkt in de deelnemersbijdrage. Hiertoe neemt de boekwaarde niet verder toe.

Status

In de Visie Ruimte en Mobiliteit is de Zuidplaspolder als gewenste locatie voor het opvangen van de bovenregionale behoefte aan bedrijventerreinen en aan landelijke en dorpse woonmilieus herbevestigd. Daardoor blijft ontwikkeling op het grootste deel van de gronden van de Grondbank voor het oorspronkelijke doel mogelijk. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in haar rol als toezichthouder op de GR Grondbank aangegeven dat ze ervan uitgaat dat uiterlijk in 2018 de negatieve algemene reserve weer positief is om de risico's van de Grondbank te kunnen opvangen. De invoering van Vennootschapsbelasting voor overheidsorganisaties kan in de toekomst voor de Grondbank financiële consequenties hebben.

5.

Financiële risico's ontwikkelopgave EHS / recreatiegebieden

Omschrijving

Risico is dat de provincie niet tijdig voldoende middelen beschikbaar heeft om de ontwikkelopgave voor het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) te kunnen realiseren. Voor de provincie geldt een inspanningsverplichting met betrekking tot de realisatie van de NNN.

Na het Decentralisatieakkoord natuur (eind 2011 afgesloten tussen Rijk en provincies) heeft Zuid-Holland de NNN herijkt. Prioriteit van de herijkte NNN ligt (gezien de omvang van de beschikbare middelen) bij het aanleggen en beheren van natuurgebieden, waarbij sprake is van noodzakelijkheid voor het behalen van internationale verplichtingen. Voor de periode 2011 tot en met 2027 is een bedrag van € 257,8 mln beschikbaar voor verwerving en inrichting.

Het aandeel van Zuid-Holland in de middelen die provincies uit het Provinciefonds ontvangen op basis van het Natuurpact 2013 is bepaald op basis van het advies van Janssen 2.

De ontwikkelopgave NNN is in januari 2014 door Provinciale Staten via de uitvoeringsstrategie EHS vastgesteld en in december 2013 via een wijziging van de Provinciale Structuurvisie planologisch vastgelegd. Deze besluiten vormen de basis voor het provinciale beleid voor NNN.

De uitvoering van de NNN wordt gedekt met (via het Provinciefonds) gedecentraliseerde middelen, beschikbare ruilgronden, overige provinciale middelen en bijdragen van regionale gebiedspartijen.

Naast risico's op het gebied van NNN speelt nog een risico op het terrein van recreatie en de bufferzone gronden (300 ha binnen begrenzing), die buiten de afspraken met EZ blijven vanwege eigendom bij het ministerie I&M.

Impact

De impact van het risico heeft betrekking op het (tijdig en in voldoende mate) beschikbaar komen van:

  1. Middelen voor de ontwikkelopgave NNN: middelen via het Provinciefonds komen later beschikbaar dan eerder voorzien; de bijdrage over 2014 en 2015 valt lager uit, wat in 2016 en 2017 wordt gecompenseerd door een hogere bijdrage. De opbrengst van grond voor grond blijft achter bij de prognose, als gevolg van lagere grondprijzen en de mogelijkheid om de grond volgens de planning te kunnen verkopen onder invloed van interne en externe invloeden en belangen;

  2. Middelen voor het natuurbeheer: afgesproken is dat het Rijk voor 2/3 (via het Provinciefonds) bijdraagt aan de beheerlasten en de provincies voor 1/3 deel; in verband met het beheer kan er een tekort ontstaan dat oploopt tot € 3,5 mln. Conform bestaande afspraken dient de dekking hiervoor eerst binnen het bestaande programma gevonden te worden. Voor een bedrag van circa € 1,5 mln kan dekking worden gevonden, voor het resterende bedrag van € 2 mln structureel dient voor de langere termijn (na 2017) een oplossing te worden gevonden;

  3. Voor een aantal beheermaatregelen (zoals faunabeheer, Programmatische Aanpak Stikstof, uitvoeringskosten beheersubsidies en uitvoering Natuurbeschermingswet) loopt de provincie het risico van incidentele tegenvallers. Daarbij komt dat nog niet duidelijk is of er voldoende EU-middelen beschikbaar zijn voor de additionele taak agrarisch natuurbeheer. De subsidieperiode 2015-2021 (POP3) is rond de jaarwisseling 2014 vastgesteld.

Maatregelen

De volgende beheersmaatregelen zijn/worden genomen:

  • Conform de Uitvoeringsstrategie EHS geldt het uitgangspunt dat doelen en middelen in balans dienen te zijn, dit geldt inclusief het beheer van nieuwe natuurgebieden; in de realisatiestrategie NNN worden drie fasen onderscheiden (2013-2016, 2017-2021 en 2021-2027) met elk een eigen ijkpunt met als doel weloverwogen keuzes te kunnen maken ten aanzien van de inzet van middelen in relatie tot de beschikbaarheid ervan en de programmering. Provinciale Staten hebben bij besluit tot de vaststelling van de Uitvoeringsstrategie EHS 2013, het geld van € 75 mln voor de periode 2013 - 2016 beschikbaar gesteld. Ten aanzien van de grond-voor-grond opbrengsten zal een actief beleid worden gevoerd om alle gronden tijdig vrij te spelen voor de verkoop, zodat de geplande opbrengst kan worden gerealiseerd; medio 2015 is de grondprijs gunstig en vormt dit geen drukkende factor op de opbrengst;

  • In het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 zijn structurele middelen beschikbaar gesteld waarmee de toename van de beheerlasten na realisatie van de NNN-opgave in de periode t/m 2021 gedekt is. Gecontinueerd worden de maatregelen om de uitvoeringslasten van subsidieverlening te verlagen. Hiermee is het risico van onvoldoende middelen voor beheer gereduceerd tot nihil;

  • De genoemde incidentele risico's kunnen worden beperkt door heldere afspraken te maken met partijen, waarbij eventueel in nieuwe overeenkomsten taakstellende budgetten worden afgesproken. Dit geldt eveneens voor de EU-middelen voor agrarisch natuurbeheer. Nieuwe overeenkomsten worden voorbereid. Wanneer de bijdragen van regionale partijen in de periode 2013-2016 achterblijven, zal de programmering voor de periode 2017-2021 worden aangepast.

Status

Voor de Begroting 2015 is nog een risico benoemd van € 11,5 mln ten aanzien van de verwerving door de provincie van een areaal zogenoemde 'bufferzonegronden' van het Rijk ten behoeve van de provinciale opgave. Inmiddels is dit risico vervallen, omdat GS met het Rijk overeengekomen zijn om de benodigde gronden aan te kopen voor een bedrag van € 4 mln en het overnemen van een rijksverplichting voor maximaal € 1mln, ten behoeve van de recreatieopgave.

In 2016 wordt voor de NNN de nieuwe programmaperiode 2017 – 2021 uitgewerkt en vastgesteld. Hierin zal ook een analyse zitten over de risico's voor deze periode. De voortgang in de periode t/m 2014 geven geen reden voor bijstelling van het risico.

6.

BRZO en/of RIE -bedrijven kun nen niet meer aan vergunningplicht voldoen

Omschrijving

De provincie is bevoegd gezag voor de vergunningverlening aan BRZO en/of RIE (Besluit risico zware ongevallen / richtlijn industriële emissies) bedrijven. Ingeval van een faillissement en/of calamiteiten (zoals brand) kan de situatie ontstaan dat een bedrijf niet meer aan zijn vergunningplicht kan voldoen. Hierbij kan sprake zijn van gevolgschade. Bij gevolgschade kan gedacht worden aan de kosten van verwijdering van (afval)stoffen of sanering. Indien een bedrijf niet meer aan zijn vergunningplicht kan voldoen betekent dit niet automatisch dat de provincie verantwoordelijk is voor de ontstane schade. In eerste instantie zal gekeken worden naar de vergunninghouder en zijn verzekering. Indien de vergunninghouder failliet is en er onvoldoende middelen in de boedel aanwezig zijn, komen de eigenaren van de grond en opstallen in beeld. Indien er dan restkosten overblijven waarvoor geen juridisch aan te spreken verantwoordelijke is, kan de provincie er vanuit haar maatschappelijke verantwoordelijkheid voor kiezen (een deel) van deze kosten voor haar rekening te nemen.

Impact

Op basis van het provinciale bedrijvenbestand wordt de maximale schade voor de provincie ingeschat op € 15 mln. (circa € 0,05 mln per bedrijf). Het bedrag per inrichting is een gemiddelde. Het totale bedrag is gebaseerd op de verantwoorde aanname dat een grootschalige calamiteit zich slechts zelden voordoet en dan alleen bij een enkele inrichting.

Maatregelen

De omgevingsdiensten voeren het toezicht op de betreffende bedrijven uit conform de nota VTH.

  • Door goed toezicht te houden en scherp te handhaven op naleving van de voorschriften voor omvang en soorten (afval)stoffen, wordt het risico beperkt tot de vergunde (afval)stoffen.

  • De BRZO/RIE-bedrijven worden periodiek gecontroleerd op de wijze van opslag van de (gevaarlijke) stoffen.

De omgevingsdiensten voeren regelmatig en frequent overleg met de portefeuillehouders vergunningverlening, en toezicht & handhaving over uitvoeringsdilemma's en beoogde handhavingsbesluiten.

Op grond van de provinciale mandaatbesluiten moeten de directeuren van de omgevingsdiensten informatie verschaffen aan- en overleg voeren met de portefeuillehouder indien de uitoefening van een gemandateerde bevoegdheid naar verwachting politieke en maatschappelijke gevolgen kan hebben of indien een besluit tot consequentie kan hebben dat de provincie of Gedeputeerde Staten aansprakelijk worden gesteld of anderszins aangesproken worden.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. Door de wijze waarop toezicht wordt gehouden en het feit dat het risico zich afgelopen jaren niet heeft voorgedaan, wordt de kans van optreden als klein ingeschat.

7.

Garantstelling Contract Personenvervoer over Water (POW)

Omschrijving

Het Contract Personenvervoer over Water (POW) betreft een vervoersdienst tussen Dordrecht en Rotterdam en binnen de Drechtsteden. Dit contract loopt van 1 januari 2010 tot 1 januari 2022. Hierin is opgenomen dat de in te zetten schepen aan het einde van de contractperiode overgaan naar de nieuwe vervoerder tegen het voorgeschreven restant van de boekwaarde van € 2,9 mln ultimo 2021. Tegenover de vreemdvermogenverstrekker staat de provincie garant voor het verschil tussen de opbrengst en de boekwaarde van de schepen bij tussentijdse beëindiging vanwege betalingsproblemen van de vervoerder. Deze garantstelling is in 2015 nog eens bevestigd waarbij de boekwaarde ultimo 2021 is verlaagd van € 3 mln naar € 2,9 mln in verband met de verkoop van een schip dat onderdeel uitmaakte van de garantstelling. Daarnaast heeft een wijziging van de financieringsovereenkomst tussen de vervoerder en de vreemdvermogenverstrekker plaats gevonden in verband met de aanschaf van een nieuw schip voor de Pilot Spits- en Daldienst Waterbus 2015-2017. Dit nieuwe schip maakt op dit moment echter geen onderdeel uit van de garantstelling vanwege het tijdelijke karakter van de inzet.

Impact

Maximale impact van het risico op basis van stand ultimo 2015 is € 6,1 mln.

Maatregelen

In de aanbestedingsleidraad zijn door de provincie diverse aanvullende maatregelen opgenomen die de kans op een succesvolle exploitatie van POW vergroten.

Status

Het contract is ingegaan per 1 januari 2010.

8.

Risico deelname gemeenschappelijke regelingen: GR Midden-Delfland

Omschrijving

De provincie loopt bij alle gemeenschappelijke regelingen (GR) financiële risico's, omdat zij naar rato van de deelneming kan worden aangesproken op financiële tekorten. Deze tekorten kunnen ontstaan op het moment dat het weerstandsvermogen van de betreffende regeling van onvoldoende omvang is om de financiële risico's af te dekken.

Bij het recreatieschap Midden-Delfland speelt het volgende. Het Rijk heeft aangegeven uit te willen treden uit deze GR. Vanuit de GR is de uittreedvergoeding in 2012 berekend op € 50 mln in geval het (uitvoerings)beleid niet kan worden bijgesteld. Tegen deze vergoeding heeft het Rijk formeel bij de rechtbank beroep aangetekend. De Rechtbank heeft zich in de uitspraak geschaard achter de noodzaak het beleid te herijken en heeft de beslissing op bezwaar van het Recreatieschap vernietigd. Tegen deze uitspraak is het Recreatieschap in hoger beroep gegaan bij de Raad van State.

Eind 2014 heeft naar aanleiding van deze beroepsprocedure onderzoek plaatsgevonden naar de mogelijkheden om het beleid bij te stellen; naar aanleiding van dit onderzoek is de uittreedvergoeding bijgesteld naar € 30 mln. Deze beroepsprocedure is medio 2015 afgerond, waarbij de rechter heeft bepaald dat voor de berekening van een uittreedvergoeding een overgangsperiode van 5 jaar dient te worden gehanteerd.

Er manifesteert zich een risico nu de nog definitief overeen te komen uittreedvergoeding onvoldoende lijkt om te kunnen voorzien in het huidige uitgavenpatroon. Dit is aan de orde indien de GR niet in staat blijkt te zijn om de structurele uitgaven zodanig te beperken, dat de financiële gevolgen hiervan binnen de eigen begroting kunnen worden opgevangen.

Impact

Voor Zuid-Holland is de maximale impact € 9,6 mln (dat is het bijgestelde bedrag van € 30 mln naar rato van de deelname van Zuid-Holland in deze GR). De kans van optreden wordt ingeschat als middelhoog.

Maatregelen

In maart 2015 heeft het schap besloten een onderzoek uit te laten voeren naar een aantal mogelijke toekomstscenario's voor het schap. Bovengeschetst risico wordt in dit onderzoek meegenomen. Daarnaast heeft het schap besloten tot teruggave van gronden die in beheer zijn bij het schap, maar vol eigendom zijn van Staatsbosbeheer; dit leidt tot kostenreductie. Ook zijn stappen gezet om uitgaven zo veel mogelijk te beperken en het verdienpotentieel maximaal te benutten.

Status

Door het Rijk is een juridische procedure gestart tegen het besluit van de Midden-Delflandraad. Op 14 april 2014 heeft de Rechtbank uitspraak gedaan. Tegen deze uitspraak heeft het Recreatieschap Midden-Delfland op 26 mei 2014 hoger beroep ingesteld. Op 15 april 2015 heeft de Raad van State uitspraak gedaan over de hoogte van de (bijgestelde) uittreedvergoeding. Het Recreatieschap en het Rijk treden hiertoe in onderhandeling.

 

9.

Deelname risico Ontwikkelingsmaatschappij Het Nieuwe Westland (ONW)

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland neemt deel in de Ontwikkelingsmaatschappij Het Nieuwe Westland (ONW), een publiek-private samenwerking, waarin verder de gemeente Westland, het Hoogheemraadschap Westland en BNG Gebiedsontwikkeling participeren. De ONW is bedoeld als instrument om de ambities van het Integraal Ontwikkelingsprogramma Westland (IOPW) te realiseren, waaronder een aantal woningbouwlocaties. Ten gevolge van de kredietcrisis staan de resultaten onder druk en beperkt ONW zich meer en meer tot slechts het realiseren van de woningbouwlocaties. De risico's zijn aanzienlijk met name omdat al grote grondposities zijn ingenomen, deels ondergebracht bij de gemeente Westland, deels rechtstreeks bij de ONW.

Impact

Uittreden kan grote financiële consequenties hebben die op kunnen lopen tot de omvang van het aandelenkapitaal van Zuid-Holland. Dit is een bedrag van € 1,4 mln (het volledige bedrag is inmiddels volgestort).

Maatregelen

In 2015 is de samenwerkingsstructuur vereenvoudigd en zijn afspraken gemaakt om de financiële positie van het samenwerkingsverband te verbeteren. De provincie is in haar rol in de Holding teruggetreden. Opzegging van de deelname in de CV is geen optie. De provincie blijft aandeelhouder in de CV. Er is geen aanleiding om uit te treden en daarmee het verlies volledig te nemen.

Gezien de huidige markt voor woningbouw is sprake van een hoog risicoprofiel met betrekking tot de waardeontwikkeling van het aandelenkapitaal. De omvang is moeilijk in te schatten omdat de ontwikkeling nog vele jaren zal lopen.

Het provinciale risico blijft na de genomen maatregelen maximaal € 1,4 mln.

Status

Zie maatregelen.

10.

De Europese Commissie kan subsidiabiliteit van uitgaven betwisten

Omschrijving

De provincie loopt bij Europese projecten (voor de onderdelen waarvoor zij eindverantwoordelijk is) het risico dat uitgaven achteraf als niet-subsidiabel worden aangemerkt, omdat niet voldaan is aan administratieve eisen. Dit blijkt bij toetsing van uitgaven op basis van voortgangs- en eindrapportages. Het maximale risico is het relatieve aandeel van de Europese subsidie in de gemaakte en nog niet gecontroleerde en gecertificeerde uitgaven. Daarnaast bestaat bij een afgesloten Europees subsidieproject het risico dat achteraf uitgaven ten behoeve van het project niet-subsidiabel worden geacht naar aanleiding van een controle. Subsidies kunnen dan, zelfs vijf jaar na afsluiting van het subsidieprogramma, worden teruggevorderd. Het teruggevorderde bedrag kan oplopen tot 50% van de totale omvang van de projectkosten.

Impact

Voor de projecten tot en met 2023 geldt dat er op dit moment nog geen projecten in uitvoering zijn. De risico's betreffen gemaakte en nog niet gecontroleerde en gecertificeerde uitgaven De maximale impact kan daarom nog niet worden ingeschat.

Het risico dat er achteraf uitgaven worden betwist betreft alle Europese financiering die Zuid-Holland in de vorige periode (2007-2013) en de huidige periode (2013-2023) heeft ontvangen voor Kansen voor West, Interreg en het Zevende Kaderprogramma. Het betreft een bedrag van € 17,4 mln.

Maatregelen

  • Bewaking van de subsidiabiliteit van uitgaven door goede projectvoorbereiding en -selectie.

  • Voortdurende bewaking van de procedures voor het indienen van tussentijdse declaraties.

  • Zorgdragen voor een goede archivering van al afgerekende projecten naar de maatstaven van de Europese Commissie.

Status

In de periode 2007 tot en met 2013 zijn 10 projecten van de provincie uitgevoerd. Voor de nu lopende periode (2014-2023) zijn nog geen projecten in uitvoering. Het steunpunt subsidies van de provincie bewaakt op actieve wijze dat voldaan wordt aan de eisen van de Europese Unie.

11.

Niet tot uitvoering komen grote infrastructurele projecten

Omschrijving

De plan- en voorbereidingskosten van projecten groter dan € 1 mln uit het meerjarenprogramma Investeringen Provinciale Infrastructuur (MPI) worden op basis van het Besluit Begroten en Verantwoorden provincies en gemeenten (BBV, art. 60) geactiveerd en in vijf jaar afgeschreven. Indien projecten onverhoopt niet worden gerealiseerd, dienen de gemaakte plan- en voorbereidingskosten te worden afgewaardeerd en komen dan in één keer ten laste van de exploitatie.

Impact

De vele partijen, de vaak uiteenlopende belangen, de grote mate van complexiteit, de forse investeringen, maar ook de regelgeving op het gebied van onder andere luchtkwaliteit, geven een mate van onzekerheid aan deze grote projecten, waarvan de totale plan- en voorbereidingskosten vele miljoenen bedragen. Hier staat als financieel voordeel tegenover dat er geen kapitaallasten optreden, noch vanwege plan- en voorbereidingskosten, noch vanwege de realisatie van het project. De boekwaarde en de onderhandenwerkpositie van deze plan- en voorbereidingskosten bedraagt ultimo 2014 € 11,1 mln.

Maatregelen

Door met de provincie en alle betrokken partijen bestuursovereenkomsten aan te gaan waarbij ook afspraken gemaakt worden over de gang van zaken bij ernstige vertragingen of het niet realiseren van het project, worden zekerheden verkregen. Als het risico zich voordoet zal het worden opgevangen binnen de reserves met betrekking tot infrastructuur.

Status

Is een doorlopend risico, omdat zich jaarlijks projecten in de plan- en voorbereidingsfase bevinden.

12.

Renterisico

Omschrijving

De provincie trekt langlopende leningen aan om in de eigen financieringsbehoefte te voorzien. De financieringsbehoefte zal de komende jaren naar verwachting toenemen door de afloop van bestaande leningen, de omvang van voorgenomen investeringen en de afname van eigen financieringsmiddelen (door de geraamde benutting van reserves en voorzieningen). De jaarlijkse kosten van de financieringsbehoefte (rentelasten) worden bepaald door de omvang van de bestaande leningenportefeuille, de financieringsbehoefte als gevolg van voorgenomen investeringen en de van toepassing zijnde rentetarieven.

Impact

De afgelopen jaren waren voldoende liquiditeiten beschikbaar zodat het niet nodig was om op de kapitaalmarkt leningen aan te trekken. Gezien de voorgenomen investeringen van Zuid-Holland zal er naar verwachting eind 2016 weer een financieringsbehoefte ontstaan. Doordat er op de middellange termijn een grote financieringsbehoefte is stijgt het renterisico voor de provincie Zuid-Holland. Bij een netto jaarlijkse financieringsbehoefte van circa € 200 mln en een stijging van de rente van 1% bedraagt de toename van de rentelasten jaarlijks structureel circa € 2 mln.

Maatregelen

Via het zogeheten renteomslagpercentage worden de rentelasten toegerekend aan de programma's waarvoor sprake is van een financieringsbehoefte. Het renteomslagpercentage wordt berekend op basis van de uitgangspunten van de door Provinciale Staten vastgestelde beleidsnota kostprijs- en renteberekening. Verder wordt de financieringsbehoefte periodiek meerjarig bepaald en wordt beoordeeld of incidenteel dan wel structureel tot afdekking van het renterisico dient te worden overgegaan.

Status

Zie omschrijving.

13.

Omgevingsrisico's vergunningverlening en handhaving

Omschrijving

Vergunningverlening en handhaving kennen altijd omgevingsrisico's. Het is een politiek gevoelig beleidsveld. De betrokkenheid van burgers en externe partijen en daarmee de beïnvloeding van externen bij de uitvoering van de werkzaamheden is groot. In het kader van de besluitvorming lopen de omgevingsdiensten dan wel de provincie dan ook altijd juridische risico's. Tegen menig besluit wordt bezwaar dan wel beroep aangetekend. Verder kunnen claims als gevolg van economische, milieu- of gezondheidsschade leiden tot extra kosten voor de provincie. Daarnaast kunnen kosten ontstaan als gevolg van handhavingsbesluiten als bestuursdwang. Het nemen van bestuurlijk gecalculeerde risico's is een onderdeel van het vergunningverlenings- en toezicht- en handhavingsbeleid. De omgevingsdiensten voeren dit beleid uit namens de provincie.

Impact

Het terugbetalen van eventuele proceskosten, evenals schadeclaims alsmede onvoorziene kosten als gevolg van handhavingsbesluiten, is een financieel risico. De kosten voor bestuursdwang kunnen in principe verhaald worden op het bedrijf, het risico bestaat dat dit niet (meer) mogelijk is. Er wordt uitgegaan van maximaal € 5 mln op jaarbasis.

Maatregelen

De vergunningverlening, toezicht en handhaving is ondergebracht bij de omgevingsdiensten. De provincie ziet erop toe dat de omgevingsdiensten de provinciale beleidskaders (Nota VTH 2014-2017) uitvoeren en voldoen aan de vigerende kwaliteitscriteria.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico.

In deze paragraaf wordt het risico met betrekking tot de Derde Merwedehaven separaat toegelicht (als niet-kwantificeerbaar risico).

14.

Maatregelen Rijk in verband met EMU-tekort

Omschrijving

Op grond van de wet houdbare overheidsfinanciën (HOF) leveren decentrale overheden een gelijkwaardige inspanning aan de beheersing van het EMU-saldo. Dit saldo is het totaal van inkomsten minus uitgaven van het Rijk, sociale fondsen en decentrale overheden tezamen. Bij een nadelig saldo is sprake van een tekort. In beginsel leiden investeringen en onttrekkingen uit de reserves bij decentrale overheden tot een tekort. Dit zijn namelijk uitgaven waar geen lopende inkomsten tegenover staan.

Voor de Nederlandse overheid als geheel geldt dat het EMU-tekort maximaal -3% mag bedragen van het bruto binnenlands product (BBP). Het tekort voor decentrale overheden is in onderling overleg met het Rijk gemaximeerd op -0,5% BBP. Deze tekortnorm voor decentrale overheden is door het Rijk verder uitgesplitst in een norm voor provincies, gemeenten en waterschappen afzonderlijk. Tot slot is deze 'tekortnorm' weer uitgesplitst naar een referentiewaarde per individuele organisatie.

De wet HOF geeft het Rijk de mogelijkheid maatregelen te treffen als decentrale overheden hun gezamenlijke norm overschrijden en er meerjarig geen zicht is op verbetering.

Maatregelen kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het faseren van investeringen, of als ultimum remedium op het korten van het Gemeente- en/of Provinciefonds.

Impact

De maximale impact staat gelijk aan de omvang van de algemene uitkering uit het Provinciefonds (voor de provincie Zuid-Holland is dat momenteel circa € 100 mln).

De kans van optreden is vooralsnog beperkt. Dit komt doordat Rijk en decentrale overheden hebben afgesproken dat er gedurende de huidige kabinetsperiode geen sancties worden opgelegd.

Verder heeft de Minister van Financiën bij de behandeling van het wetsvoorstel meerdere keren toegezegd dat de wet niet ten koste zal gaan van investeringen door decentrale overheden.

De volgende ontwikkelingen zijn de komende jaren van invloed op de kans van optreden / impact:

  • Het Rijk is voornemens de tekortnorm voor decentrale overheden aan te scherpen naar -0,4% BBP in 2016 en -0,3% BBP in 2017. Dit is een forse verlaging van de huidige tekortnorm (-0,5% BBP).

  • Een nieuw kabinet heeft weer de mogelijkheid sancties op te leggen bij een dreigende, meerjarige overschrijding van de norm voor decentrale overheden.

  • De BDU verkeer en vervoer is met ingang van 2016 als decentralisatieuitkering aan de algemene uitkering van het Provinciefonds toegevoegd. Mogelijk wordt ook de decentralisatieuitkering voor groen toegevoegd. Dit betekent meer dan een verdubbeling van de omvang van de algemene uitkering.

Maatregelen

  • In het najaar van 2015 vindt bestuurlijk overleg plaats tussen Rijk en decentrale overheden (VNG, IPO, UvW) over de vraag of het mogelijk en verantwoord is de norm voor decentrale overheden aan te scherpen.

  • Provincies voeren momenteel een aantal pilots uit met als doel de betrouwbaarheid van hun ramingen te verbeteren, zodat er zo nodig beter gestuurd kan worden op de uitkomsten.

Status

Het CBS verwacht (op basis van informatie van decentrale overheden zelf) dat decentrale overheden in 2015 niet binnen de tekortnorm van -0,5% BBP blijven (CBS, februari 2015). Voor 2016 verwacht het CBS een verbetering van het EMU-saldo tot ruim binnen de voorgeschreven norm. Nieuwe cijfers van het CBS op basis van de begrotingen 2016 van decentrale overheden zullen echter zeer waarschijnlijk weer een ander beeld geven.

De provincie Zuid-Holland verwacht in 2016 een EMU-tekort van - € 202,7 mln en in 2017 van

- € 278,6 mln.

De referentiewaarde voor Zuid-Holland bedroeg in 2015 - € 75,2 mln. De referentiewaarde voor 2016 is nog niet bekend. Het EMU-tekort van Zuid-Holland valt dus in 2016 en 2017 veel hoger uit dan de referentiewaarde zoals die in 2015 was.

15.

Onvoldoende middelen voor nazorg gesloten stortlocaties

Omschrijving

Met ingang van 1 april 1998 zijn provincies verantwoordelijk voor de eeuwigdurende nazorg van provinciale stortplaatsen, waarop na 1 september 1996 nog afvalstoffen zijn of worden gestort. Het Fonds Nazorg gesloten stortlocaties is ingesteld voor het beheer van het vermogen, dat beschikbaar dient te zijn om de kosten van eeuwigdurende nazorg te dekken. Als een stortplaats zich nog in de exploitatiefase bevindt dan worden aan de exploitant heffingen opgelegd totdat het definitieve doelvermogen is bereikt. In deze fase loopt de provincie een debiteurenrisico (de exploitant is niet in staat om de opgelegde heffingen te betalen).

Na sluiting van de stortplaats loopt de provincie het risico dat de nazorgkosten gedeeltelijk moeten worden betaald uit provinciale middelen door:

  • Een afwijkende ontwikkeling van de rendementen, waardoor de heffingen te laag zijn en er onvoldoende vermogen wordt opgebouwd; periodiek laat Zuid-Holland onderzoeken of de rekenrente in lijn is met de feitelijke / verwachte vermogensontwikkeling (de rekenrente dient als basis voor de aan de exploitanten op te leggen heffingen);

  • Technische onvolkomenheden als gevolg van falende voorzieningen;

  • Een toe- of afname van de nazorgkosten als gevolg van prijsontwikkelingen en gewijzigde milieueisen.

Impact

Uit een eind 2012 uitgevoerde studie is gebleken dat de rendementsverwachting achterblijft bij eerdere ramingen. Op basis hiervan heeft het bestuur van het Fonds besloten de rekenrente te verlagen. Als gevolg van de lagere rekenrente zijn de doelvermogens gestegen. Deze stijging wordt voor nog niet overgedragen stortplaatsen bereikt door een verhoging van de heffingen (vastgelegd in de tarieventabellen die worden vastgesteld bij de begroting van het Fonds Nazorg) en voor de inmiddels aan de provincie overgedragen stortplaatsen door het treffen van een voorziening. Deze voorziening heeft per ultimo 2014 een stand van € 8,3 mln.

De risico's worden op deze wijze beheerst en de kans dat alsnog een beroep moet worden gedaan op provinciale middelen wordt vooralsnog dan ook ingeschat als nihil.

Wel kan de provincie mogelijk een debiteurenrisico lopen als gevolg van de verhoging van de heffingen.

De kans hierop wordt echter vooralsnog als nihil ingeschat. De maximale impact ten aanzien van de nog niet overgedragen stortplaatsen wordt ingeschat op € 21,2 mln (dit betreft een situatie waarin de provincie de financiële verantwoordelijkheid voor de exploitatie over zou moeten nemen).

Maatregelen

De genomen maatregelen zijn het treffen van een voorziening en het verhogen van de heffingen (zie impact). Daarnaast wordt het risico gemonitord door het periodiek onderzoeken van de langere termijn rendementsverwachting. Tot slot worden periodiek de nazorgplannen geactualiseerd met als doel te kunnen bepalen of het doelvermogen nog toereikend is. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om technische onvolkomenheden, prijsontwikkelingen of gewijzigde milieueisen. Actuele ontwikkelingen ten aanzien van de risico's worden opgenomen in deze paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing.

Status

Er is bestuurlijk overleg geweest over de aanpassing van de rekenrente. Enkele stortplaatsexploitanten hebben gebruikgemaakt van de juridische mogelijkheid om een bezwaar-/beroepsprocedure te starten tegen de opgelegde aanslag; deze procedure loopt, maar is van de enkelvoudige kamer doorgeschoven naar de meervoudige kamer en er is nog geen zittingsdatum bepaald.

16.

Risico's PMR - 750 ha natuur en recreatie

Omschrijving

De uitvoeringskosten uitwerkingsovereenkomst PMR: risico's zijn gelegen in de beheersing van de uitvoering van het project.

Impact

De impact van dit risico hangt af van de mate waarin zich onvoorziene omstandigheden voordoen. Op basis van een inschatting van de financiële risico's wordt de omvang van de post onvoorzien periodiek bijgesteld.

Maatregelen

De provincie voert het PMR-project 'Buijtenland van Rhoon' voor eigen rekening en risico uit. Hiervoor is een taakstellend budget beschikbaar. De financiering van het project is gedekt door de gezamenlijke PMR-partners en vastgelegd in de UWO PMR 750 ha. De bijdrage van Zuid-Holland bedraagt € 9 mln, de stadsregio Rotterdam draagt € 18 mln bij en het Rijk € 112 mln. In geval van onvoorziene omstandigheden (zoals excessieve grondprijsstijgingen) kan de provincie in overleg treden met het Rijk (op grond van art. 12 van de UWO). Om de financiële risico's goed te beheersen wordt risicomanagement toegepast. Met behulp van een (financiële) business case is inzichtelijk gemaakt wat mogelijke meerkosten zouden kunnen zijn als deze risico's zich voordoen. De verwachtingswaarde van mogelijke meerkosten, volgend uit het financieel risicoprofiel, vormt de onderbouwing van deze post in de business case van het project (over de gehele looptijd tot en met 2021). De totale omvang van het risico bedraagt € 15,3 mln. Mocht de verwachtingswaarde stijgen dan zal de omvang van het risico daarop worden aangepast. Mocht uit nieuwe ontwikkelingen blijken dat het taakstellend budget overschreden wordt, dan dienen er beheersmaatregelen getroffen te worden (zoals besparen op andere kostenposten of zoeken van andere geldbronnen).

Status

Het project zit in de uitvoeringsfase en loopt tot en met 2021.

Eind 2013 is een motie door de Tweede Kamer aangenomen met als doel te zoeken naar meer draagvlak voor de plannen. Met instemming van het Rijk (staatssecretaris Dijksma) heeft oud-minister Cees Veerman in juni 2014 geadviseerd het plan inhoudelijk bij te stellen (minder natte natuur). De (ruimtelijke) kaders (PKB, BP) en hoofddoelen blijven intact. Ook stelt hij voor een (nog in te stellen) gebiedscoöperatie het plan te laten uitvoeren. Zijn advies heeft breed draagvlak bij de betrokken overheden (inclusief gemeente). In de tweede helft van 2015 gaat de commissie aan de slag om de gebiedscoöperatie vorm te geven. In de loop van 2016 komt er meer duidelijkheid. Het ligt in de rede dat aan de gebiedscoöperatie een taakstellend budget wordt meegegeven.

17.

Deelnamerisico ROM-D Capital BV

Omschrijving

De provincie neemt met € 10 mln deel in ROM-D Capital BV, het publiek investeringsfonds van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Drechtsteden. Besluitvorming hierover is in 2012 afgerond. De daadwerkelijke storting van dit bedrag is eind december 2012 gebeurd. Door deze kapitaalinbreng heeft de provincie aandelen in ROM-D Capital verworven. Het financiële risico voor de provincie is gelegen in waardevermindering van de aandelen. ROM-D Capital BV heeft (op termijn) een revolverend karakter. Dit houdt in dat het initiële vermogen ten minste in stand dient te blijven. Er worden alleen projecten gefinancierd waarvan op basis van een business case kan worden aangetoond dat deze op termijn winst of meerwaarde genereren. Om continuïteit te waarborgen en het weerstandsvermogen te versterken wordt op de lange termijn een gematigd (gemiddeld) rendement op de projecten nagestreefd van 3%. Gerealiseerde rendementen blijven binnen de vennootschap beschikbaar. Kerntaak van de ROM-D is het ontwikkelen en herstructureren van bedrijventerreinen. De andere deelnemers in ROM-D Capital BV zijn naast de provincie de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden en de gemeente Dordrecht.

Impact

ROM-D Capital BV stelt werkkapitaal beschikbaar aan werkmaatschappijen (de CV's). ROM-D Capital BV zal in het algemeen geen (extra) zekerheidstelling vragen en accepteert daarmee een hoger risicoprofiel dan private marktpartijen. Binnen de projectportefeuille wordt het vereveningsprincipe gehanteerd: winsten en verliezen op de projecten worden gesaldeerd. Het maximale risico voor de provincie is dat de aan een of meer CV's door ROM-D Capital beschikbaar gestelde gelden (deels) verloren gaan. Het maximale risico is gelijk aan het gestorte aandelenkapitaal in ROM-D Capital BV

(€ 10 mln).

Maatregelen

Tot de beheersmaatregelen die zijn getroffen om de risico's zoveel mogelijk te beperken, behoort onder andere het in Drechtstedenverband vastgelegde uitgangspunt dat projecten budgettair neutraal overgaan van de betreffende gemeente naar ROM-D. Het risico voor ROM-D is dus in beginsel beperkt. Voor een aantal van deze projecten zal aan ROM-D Capital BV worden gevraagd om een bijdrage in het werkkapitaal. Dan bepaalt de provincie als aandeelhouder in ROM-D Capital BV mee waarvoor de middelen zullen worden ingezet. De aandeelhouders besluiten naar aanleiding van een advies van een onafhankelijk Investment-committee, dat weer adviseert op basis van een sluitende business case. Verder wordt de financiële stand van zaken periodiek beoordeeld op basis van de jaarrekening van de ROM-D (deze wordt vastgesteld door de aandeelhouders van de ROM-D, waaronder ook Zuid-Holland). Om het risico van waardedaling van de aandelen af te dekken is een reserve voor waarderingsverschillen gevormd.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico dat mede gerelateerd is aan economische ontwikkelingen. In ROM-D Capital bevinden zich in 2014 vijf projecten, met uiteenlopende rendementen. In het accountantsverslag 2014 is voor 2014 evenals voor 2013 opnieuw een negatieve waardeontwikkeling geconstateerd van de aandelen. Oorzaak van de waardedaling is de afwaardering van de grondwaarde. Gebleken is dat de uitgifte van terreinen, tegen de gevraagde prijs, onvoldoende verloopt. Bij een vertraagde uitgifte nemen de rentekosten toe ten opzichte van de raming terwijl de bedrijfsvoeringskosten relatief hoog zijn. Dit brengt met zich mee dat de waarde van de provinciale deelnemingen in de ROM-D in 2014 (verder) in waarde zijn gedaald. Het is nog te vroeg om te spreken van een structurele waardedaling, maar het heeft wel onze aandacht. Op dit moment heeft onze deelneming in de ROM-D een waarde van € 8,5 mln. Om waardevermindering op te vangen is er tot nu toe een risicoreserve voor de ROM-D van € 1,1 mln opgebouwd.

18.

Deelnamerisico InnovationQuarter

Omschrijving

De provincie neemt, samen met het ministerie van Economische Zaken, de gemeenten Rotterdam, Den Haag, Delft, Leiden, Westland en de Zuid-Hollandse universiteiten en medische centra deel in InnovationQuarter. De organisatie bestaat uit twee entiteiten: de ROM InnovationQuarter B.V. en de Participatiemaatschappij InnovationQuarter BV. De Participatiemaatschappij BV is een 100% dochter van de ROM BV. Het kapitaal dat door de aandeelhouders in de ROM InnovationQuarter BV is gestort, wordt volledig aangewend voor het (revolverende) participatiefonds.

De provincie heeft de storting in de eerste fase van € 10 mln in december 2013 verricht. In de tweede fase is een storting voorzien van € 15 mln (naar verwachting in 2016). De provincie verkrijgt door haar kapitaalinbreng aandelen in de ROM InnovationQuarter BV. Voorwaarde voor deelneming in de ROM BV is dat de provincie nooit meer kosten zal maken dan de investering groot is. Om dit te beheersen zal de provincie conform staand beleid geen meerderheid van de aandelen bezitten (maximaal 49,99%). Het startkapitaal van de ROM BV bedraagt € 27,7 mln. Daarvan is de provincie voor 36,1% aandeelhouder (€ 10 mln). Waardevermindering van de aandelen is een risico voor de provincie.

Impact

Het maximale risico is € 10 mln per 2020.

Maatregelen

In de beginfase zullen de kosten van de Participatiemaatschappij InnovationQuarter B.V. niet gedekt kunnen worden door de opbrengsten, omdat in deze opbouwperiode rendement uit investeringen nog beperkt zal zijn. Het uitgangspunt is dat het fonds in meerjarig perspectief revolverend moet zijn. Daarbij is in de aandeelhoudersinstructie (die doorwerkt via de Statuten) een termijn van 7 jaar afgesproken (2020) met een tussentijdse evaluatie in 2016.

De aandeelhouders van InnovationQuarter hebben als eis gesteld dat de Participatiemaatschappij van InnovationQuarter in meerjarig perspectief de koopkracht van het vermogen in stand moet houden. Dat betekent concreet dat over een meerjarenperspectief het rendement zodanig moet zijn dat, na aftrek van apparaatskosten van de Participatiemaatschappij, (tenminste) de inflatie 'verdiend' moet zijn. Daarmee zal de waarde van de aandelen ook in stand worden gehouden. Dit is in de praktijk een ambitieuze doelstelling. Door professioneel fonds- en investeringsmanagement zullen de risico's zo goed als mogelijk worden ingezet en worden beheerst. Ook bevat de aandeelhoudersinstructie een bepaling dat een deel van het kapitaal in het participatiefonds buiten de primaire doelgroep geïnvesteerd mag worden, bijvoorbeeld om MBO / MBI's (Management Buy Outs / Ins) te financieren. Deze investeringen hebben een lager risicoprofiel en daarmee meer zekerheid op rendement.

In principe worden de investeringen in de jaarrekening (en periodieke rapportages) van InnovationQuarter gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs. Daarnaast wordt periodiek beoordeeld door InnovationQuarter of er aanwijzingen zijn dat een investering aan een bijzondere waardevermindering onderhevig kan zijn. Indien dergelijke indicaties aanwezig zijn, wordt een voorziening vastgesteld. De voorziening wordt bepaald op basis van de International Private Equity and Venture Capital Investor Reporting Guidelines (IPEV). De kosten van de voorziening wordt direct als een last verwerkt in de winst- en verliesrekening.

Overigens heeft de waardering tegen verkrijgingsprijs (of lagere waarde) tot gevolg dat ongerealiseerde waardestijgingen niet in de cijfers tot uitdrukking komt. De ambitie van InnovationQuarter is dat in de toekomst in de jaarrekening informatie wordt opgenomen van de ongerealiseerde waardestijgingen omdat het uiteindelijk rendement pas zichtbaar is na een periode van 7 à 8 jaar vanaf het moment deelname.

Met bovenstaande zal door InnovationQuarter periodiek inzicht worden gegeven in de waardeontwikkeling van de investeringen van InnovationQuarter en daarmee ook de waarde van de aandelen van InnovationQuarter zelf.

Om het risico van waardedaling van de aandelen af te dekken heeft de provincie een reserve voor waarderingsverschillen gevormd. De reserve wordt verder opgebouwd tot een maximale omvang van 40% van het feitelijk verstrekte kapitaal.

Status

Het betreft hier een doorlopend hoog risico. De kans van optreden wordt vooralsnog laag ingeschat door de genomen beheersmaatregelen. Om waardevermindering op te vangen is er op dit moment een reserve voor IQ van € 4,7 mln. Een deel van de middelen in het participatiefonds zijn geïnvesteerd via leningen en deelnemingen. In 2016 is de 2 e storting van € 15 mln voorzien. Een eventueel risico zal pas over een aantal jaren daadwerkelijk effectief worden, omdat dan duidelijk zal zijn of de bedrijven waarin is geïnvesteerd inderdaad succesvol zijn of niet en ook dan pas de opgebouwde negatieve reserve wordt verrekend met de (positieve) opbrengsten.

 

19.

Geen aflossing gegarandeerde leningen derden

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland staat in een aantal gevallen garant voor de rente en aflossing van door derden afgesloten geldleningen. Het betreft garantstellingen op het terrein van de gezondheidszorg. Er is sprake van een geleidelijke afbouw van de portefeuille gewaarborgde geldleningen vanwege de aflossing van de geldleningen en vanwege tussentijdse conversies van leningen waarbij de provinciale borgstelling komt te vervallen.

Impact

De te lopen maximale schade bedraagt eind 2015 € 3,1 mln. Voor een groot deel van dit bedrag zijn hypothecaire zekerheden bedongen die kunnen worden uitgewonnen indien de provincie als borg wordt aangesproken. De kans van optreden van dit risico wordt dan ook ingeschat als nihil. Het uitwinnen van deze zekerheden kan echter leiden tot ernstige maatschappelijke gevolgen bij zorginstellingen. In dat geval zou kunnen worden besloten de gestelde zekerheden niet aan te spreken.

Maatregelen

Er worden geen nieuwe garanties meer verstrekt aan zorginstellingen. 100% van door de provincie gewaarborgde instellingen is aangesloten bij het Waarborgfonds voor de zorgsector.

Status

De komende jaren worden de garantstellingen verder afgebouwd. Naar verwachting zijn alle garanties in 2024 volledig afgebouwd.

20.

Onvoldoende solvabiliteit / liquiditeit regionale omroepen

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland heeft aan Omroep West en RTV Rijnmond in 2004 een achtergestelde lening verstrekt. Omdat het hier achtergestelde leningen betreft, bestaat er een zeker risico dat de leningen niet (geheel) zullen worden terugbetaald in geval van faillissement van een of beide omroepen. De financiële positie van de twee regionale omroepen is de laatste jaren structureel gezond. Ook de liquiditeit is niet langer een knelpunt. De lening aan Omroep West bedroeg € 4,5 mln en aan RTV Rijnmond € 2,5 mln. In de leningovereenkomst van Omroep West is opgenomen dat de lening vanaf 2007 wordt afgelost in tien jaarlijkse termijnen, waarbij de eerste twee termijnen minimaal € 0,3 mln per jaar bedragen en de daarop volgende termijnen minimaal € 0,5 mln per jaar. In de leningovereenkomst van RTV Rijnmond is opgenomen dat de lening wordt afgelost vanaf 2008 (eveneens in tien jaarlijkse termijnen van ten minste € 0,3 mln).

Impact

Voor Omroep West is, na de ontvangen jaartermijn 2015 (€ 0,5 mln), de stand van de lening € 0,2 mln. Dit is de resterende aflossingstermijn per 1 juli 2016.

Voor RTV Rijnmond, na de ontvangen jaartermijn 2015 (€ 0,3 mln), de stand van de lening € 0,3 mln. De resterende aflossingstermijnen zijn per 1 juli 2016 en per 1 juli 2017.

De maximale impact (openstaande schuld) bedraagt ultimo 2015 € 0,52 mln (waarvan € 0,25 mln voor Omroep West en € 0,28 mln voor RTV Rijnmond).

Maatregelen

De financiële positie en liquiditeitspositie van de regionale omroepen worden door middel van periodieke rapportages gemonitord.

Status

Als gevolg van recentralisatie van de zorgplicht voor de regionale omroepen door het Rijk is de subsidierelatie met de beide regionale omroepen West en Rijnmond per 1 januari 2014 beëindigd. De recentralisatie heeft geen juridische consequenties voor de status van de leningovereenkomst. Gelet op de financiële positie van beide instellingen wordt verwacht dat de leningen volledig zullen worden afgelost.

21.

Herinrichting Meeslouwerplas

Omschrijving

Op 26 augustus 2009 is de 'Basisovereenkomst' tussen BAM Wegen regio west BV en de provincie Zuid-Holland ondertekend. De basisovereenkomst heeft betrekking op de volgende zes projecten, samen 'het Werk' genoemd en in het vervolg als project Meeslouwerplas aangeduid:

  • Het verondiepen van de Meeslouwerplas (c.q. het herstel van de instabiele oevers);

  • Het herinrichten van de oevers;

  • Het realiseren van het krekengebied;

  • Het verduurzamen van de eilanden tussen Meeslouwerplas en de recreatieplas;

  • Het realiseren van twee geluidwerende voorzieningen;

  • Bouw nieuwe brug ter vervanging van de Bailey-brug.

De ondertekening van de basisovereenkomst in augustus 2009 vormde de officiële start voor de uitvoeringsfase. Voor de doorlooptijd van het project wordt uitgegaan van tien jaar. De belangrijkste risico's van het project herinrichting Meeslouwerplas zijn:

  • Het project levert niet genoeg geld op;

  • Er komt binnen de termijn van tien jaar onvoldoende kwalitatief goede grond beschikbaar;
  • BAM stopt met de uitvoering van het project;

  • Het verondiepingswerk loopt vertraging op als gevolg van minder aanbod van bagger en grond.

Impact

Indien deze risico's werkelijkheid worden kan dat de volgende consequenties hebben:

  • In de worst-casesituatie wordt de voorinvestering van de provincie in de ophaalbrug en de compensatie van Recreatiecentrum Vlietlanden van in totaal € 1,8 mln niet terugverdiend en moet de provincie met andere maatregelen de oeverveiligheid realiseren;

  • Daarnaast is het mogelijk dat het project niet de afgesproken financiële opbrengst voor provincie Zuid-Holland oplevert (€ 2,6 mln + indexering) waardoor geen verdere investeringen in de recreatieve en ecologische kwaliteit van het gebied kunnen worden gedaan.

Maatregelen

In het kader van de basisovereenkomst met de BAM is de BAM aangesproken op het nakomen van gemaakte afspraken. Dit moet leiden tot herbevestiging van deze afspraken, inclusief planning en provinciale opbrengsten van het verondiepingsproject. Totdat hierover duidelijkheid is, doet de provincie geen verdere investeringen in het project.

22.

Noodzakelijk beroep op aansprakelijkheidsverzekering

Omschrijving

De provincie heeft een aansprakelijkheidsverzekering gesloten bij Centraal Beheer/Achmea voor vermogensschade en voor personen- en zaakschade. De aansprakelijkheidsverzekering wordt elk jaar stilzwijgend verlengd met een termijn van één jaar. De verzekerde som voor vermogensschade bedraagt € 2,5 mln per schadegeval (totaal per jaar: maximaal € 5 mln, eigen risico is € 12.500 per schadegeval). De verzekerde som voor personen- en zaakschade bedraagt € 5 mln per schadegeval (totaal per jaar: maximaal € 10 mln, eigen risico: € 5.000 per schadegeval).

Impact

De provincie kan te maken krijgen met een toegenomen claimbewustheid van burgers en het bedrijfsleven; belanghebbende partijen weten steeds beter de schade op de overheid te verhalen. Het risicoprofiel van de provincie is gunstig. Het aantal claims is beperkt. De hoogte van het meerjarig claimbedrag vertoont geen substantiële stijging. De omvang van de claims is voor het merendeel lager dan € 100.000. De claims hebben in de meeste gevallen betrekking op materiële risico's. Overschrijding van de dekking heeft niet plaatsgevonden. Per claim wordt beoordeeld of deze onder de voorwaarden van de aansprakelijkheidsverzekering valt.

Maatregelen

Het provinciale verzekeringsbeleid is vastgesteld. Adequate besluitvormingsprocedures, juridische controle, functiescheiding en interne controlemaatregelen maken deel uit van dit beleid.

Status

Ultimo 2015 is sprake van een bedrag van circa € 3 mln aan bij de provincie ingediende, nog niet afgehandelde claims. Omdat deze claims nog niet zijn afgehandeld, is nog niet definitief bekend in welke mate zij onder de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering vallen.

23.

Indexatiekloof Openbaar Vervoer

Omschrijving

De provincie is opdrachtgever voor Openbaar Vervoer (OV) in Zuid-Holland. Door de introductie in 2013 van de Landelijke Bijdrage Index (LBI) in combinatie met het besluit van I&M om vanaf 2014 geen forfaitaire index meer toe te kennen aan de Brede Doeluitkering (BDU) voor de decentrale overheden is er een structurele indexatiekloof ontstaan tussen baten en lasten voor OV. Vanaf 2016 bestaat de rijksbijdrage BDU niet meer voor provincies. De rijksbijdrage voor mobiliteit komt vanaf 2016 via het Provinciefonds binnen als decentralisatie uitkering en zal later onderdeel gaan uitmaken van de algemene uitkering. Onzeker is of de fluctuaties in het accrès zullen zorgen voor oplossing van dit probleem. De lijn van de huidige coalitie is geen indexering van budgetten toe te passen zodat bij ongewijzigd beleid aan de uitgavenkant de indexatiekloof steeds groter zal worden.

Impact

Bij alle Zuid-Hollandse concessies en contracten in het kader van openbaar vervoer is contractueel afgesproken te indexeren. De recenter verleende concessies worden geïndexeerd conform de LBI. De indexatiekloof die is ontstaan is structureel en oplopend. Vanaf 2018 ontstaat een structureel tekort wat incidenteel kan worden opgevangen maar vanaf 2021 is dat niet meer mogelijk bij gelijkblijvende inkomsten (dus zonder indexatie) en een indexpercentage van 2 % voor de LBI (gebaseerd op de laatst bekende index die is gebruikt voor de begrotingscijfers Mobiliteit voor 2016).

Maatregelen

Ontstane tekorten kunnen nog tot medio 2021 worden gedekt binnen de Reserve Mobiliteit en de OVP BDU. Als deze middelen op langere termijn ontoereikend blijken te zijn dan zullen maatregelen genomen moeten worden om in het tekort te voorzien. Denkbare maatregelen (al dan niet in combinatie te nemen) zijn: aanvullende dekking organiseren, lopende en toekomstige contracten bijstellen en het voorzieningenniveau aanpassen. Een geschikt moment hiervoor kan zijn de aanbesteding van de concessie DAV, medio 2018.

Status

De verwachting voor 2016 is een overschot van € 4,5 mln wat beschikbaar gehouden wordt voor de dekking van de tekorten die vanaf 2018 een rol gaan spelen.

24.

Derde Merwedehaven

Omschrijving

In februari 2011 heeft de provincie een grotere hoeveelheid gestort asbesthoudend materiaal in de Derde Merwedehaven gerapporteerd (ten opzichte van februari 2010). Naar aanleiding van aangifte door de Stichting Derde Merwedehaven is een strafrechtelijk onderzoek gestart. De uitkomst is inmiddels bekend: Zuid-Holland en anderen zullen strafrechtelijk niet vervolgd worden. Er kunnen echter wel aansprakelijkheidsrisico's volgen uit mogelijk gelopen gezondheidsklachten.

Impact

Eventuele aansprakelijkheidsclaims kunnen financiële gevolgen hebben (de kans van optreden van deze claims wordt, gezien het feit dat de provincie of haar bestuurders en/of medewerkers niet als verdachte betrokken zijn, beperkt geacht).

Maatregelen

Als resultaat van bestuurlijk overleg worden de volgende acties uitgevoerd:

er wordt structureel/intensief ingezet op communicatie met de omgeving; de stortactiviteiten zijn met ingang van 31 januari 2012 gestopt, maar de afwerking van de stortplaats dient nog plaats te vinden; het voorterrein doet nog dienst als bedrijventerrein.

Status

In 2023 wordt de stortplaats overgedragen aan de provincie.

25.

Inlenersaansprakelijkheidsrisico

Omschrijving

De inlenersaansprakelijkheid is gebaseerd op art. 34 van de Invorderingswet. Deze houdt in dat in sommige gevallen de inlener van personeel aansprakelijk kan zijn voor de loon- en omzetbelasting die door de uitlener (bijvoorbeeld een uitzendbureau) niet is afgedragen. Mocht bijvoorbeeld in geval van een faillissement het uitleenbedrijf nog een schuld hebben aan de Belastingdienst, dan kan de fiscus dat bedrag verhalen op bedrijven of instellingen waar het uitgeleend personeel heeft gewerkt.

De inlenersaansprakelijkheid geldt niet bij diensten die een ZZP'er voor Zuid-Holland verricht, zonder dat er een andere organisatie (zoals een uitzendbureau) tussen zit.

Impact

In de Aanbestedingswet 2012 is een beperking opgenomen voor eisen aangaande financiële zekerheid. Door deze beperking kan sprake zijn van een licht verhoogd risico ten opzichte van eerdere omstandigheden.Tot op heden zijn bij de provincie geen claims opgelegd met betrekking tot de inlenersaansprakelijkheid.

Met ingang van 1 juli 2015 en ingaande 2016 is de nieuwe wet Aanpak schijnconstructies van toepassing. Deze wet regelt dat een werknemer, indien hij niet betaald wordt volgens de wet, verhaal kan halen hogerop in de keten. Dit kan bij grotere bouwprojecten ook gevolgen hebben voor provincie Zuid-Holland.

De leveranciers waar provincie Zuid-Holland meewerkt, worden regelmatig gescreend, maar niet elke branche kent een certificeringssysteem. Daarnaast moet een ieder zich aan de wet houden. Een restrisico blijft echter altijd aanwezig, omdat onze leveranciers / aannemers weer met onderleveranciers / aannemers werken. Daarnaast zijn er zeer veel losse arbeidsverbanden die ook nog inhoudelijk sterk kunnen verschillen. In eerste instantie ligt het risico bij onze leverancier maar als deze om diverse redenen failleert, bestaat er een risico voor de provincie. Voor de bepaling van het risico wordt uitgegaan van een maximale schade van 1% van de totale inleen per jaar (1% van € 25 mln is € 0,25 mln) en een zeer lage kans van optreden van 0-25%.

Maatregelen

De aansprakelijkheid is niet voor 100% af te dekken. Wel worden de volgende maatregelen genomen om het risico te beheersen:

  • Werken met erkende en/of gecertificeerde bedrijven;

  • Sluiten van goede raamcontracten waarbij bijvoorbeeld ook gekeken wordt naar de liquiditeitspositie van betreffende ondernemingen;

  • Hanteren van uitsluitend de provinciale inkoopvoorwaarden;

  • Tools voor screening van bedrijven.

Vooralsnog wordt er geen depotstelsel ingevoerd als maatregel om het risico te beheersen. Redenen hiervoor zijn de forse administratieve lasten van deze maatregel in relatie tot het te verwachten effect van de hierboven genoemde maatregelen.

Status

Er zijn in de afgelopen jaren geen claims ontvangen met betrekking tot inlenersaansprakelijkheid.

26.

Doorlevering gronden aan TBO's

Omschrijving

De Vereniging Gelijkberechtiging Grondbezitters (VGG) heeft een klacht ingediend bij de Europese Commissie met als strekking dat de subsidies die eerder zijn verstrekt in het kader van de grondverwerving door terreinbeherende organisaties (de landelijke subsidieregeling PNB en voorgangers en zijn provinciale tegenhangers) in strijd zou zijn met de EU-regelgeving inzake staatssteun. Voor Zuid-Holland gaat het om subsidies die verstrekt zijn aan het Zuid-Hollands Landschap en Natuurmonumenten. De Europese Commissie zal naar alle waarschijnlijkheid pas over enkele jaren uitspraak doen.

Impact

Als de Europese Commissie oordeelt dat sprake is van onverenigbare staatssteun, dan zal geëist worden dat het Rijk (naar nationaal recht) een bedrag terugvordert dat kan variëren van circa € 0,2 mld (bij geoorloofde staatssteun) tot € 1,2 mld (bij ongeoorloofde staatssteun). Deze bedragen zijn inclusief gederfde rente. De uiteindelijke omvang is afhankelijk van de uitspraak van de Europese Commissie. Het Rijk zal deze vordering mogelijk deels neerleggen bij de provincies (als uitvoerders van de provinciale regelingen en sinds 2007 ook van de PNB-regeling). Het is niet bekend hoe de vordering verdeeld zal worden over de provincies. Rijk en de provincies kunnen het 'steunbedrag' vorderen bij de TBO's.

Dit zal grote financiële maar ook beleidsmatige consequenties hebben voor de continuïteit en kwaliteit van de taakuitoefening op het gebied van natuurbeheer.

Maatregelen

Conform de vastgestelde Nota Beheer EHS (2013) verkoopt de provincie Zuid-Holland natuurgronden tegen een marktconforme prijs, voor zover de provincie deze zelf in eigendom heeft of krijgt. Anders gebeurt de verwerving direct door de terreinbeheerder zelf, met een latere subsidie voor afwaardering op basis van een door de Europese Commissie goedgekeurde subsidieregeling. In beide gevallen wordt voor toekomstige situaties voldaan aan de EU-richtlijnen inzake staatssteun.

Status

De Europese Commissie (EC) is een onderzoek gestart. Het ministerie van Economische Zaken is verantwoordelijk voor de landelijke reactie naar de EC. Naar aanleiding van de behandeling van de klacht heeft het Interprovinciaal Overleg (IPO) samen met de beheerders nieuw beleid ontwikkeld dat regelt dat de provincie alle gronden binnen de EHS middels een openbare procedure verkoopt tegen natuurwaarde op basis van de getaxeerde waarde. In bepaalde gevallen zijn uitzonderingen mogelijk. Het nieuwe beleid betekent dat een ieder conform de wens van de vereniging nu voor eigendom en beheer van de restantopgave van de EHS in aanmerking komt. Inmiddels heeft de provincie de VGG een brief gestuurd waarin het beleid van de provincie is uiteengezet. De Vereniging heeft ingestemd met het beleid van de provincie Zuid-Holland. Bij twijfelgevallen wordt de provinciale gesprekspartner Hollands Particulier Grondbezit (HPG) betrokken.

27.

Meerkosten als gevolg van onverwachte incidenten in het areaal

Omschrijving

Het risico kan als volgt worden omschreven:

Schades met grote financiële gevolgen door bijzondere incidenten in het areaal. Mogelijke voorbeelden zijn grote schades door bijvoorbeeld aanvaringen (die verzekeringsmaxima te boven gaan) of schade aan derden als gevolg van bezwijken van oeverconstructies.

Impact

Bij bijvoorbeeld incidenten met grote schade, waarbij de kosten het maximaal verzekerde bedrag te boven gaan. Bij het bezwijken van oeverconstructies kunnen derden schade oplopen aan hun bouwwerken die zich op de oevers bevinden. De ontstane schade kan niet uit het reguliere onderhoudsbudget worden bekostigd (de herstelwerkzaamheden aan het areaal zelf zullen wel zoveel mogelijk uit reguliere budgetten worden bekostigd).

Maatregelen

Het is vrijwel onmogelijk om gesteld te staan voor onverwachte incidenten of om hier een inschatting van kosten voor te maken. Wel zal in het najaar 2015 worden gekeken of de risico's voldoende worden afgedekt en welke afwegingen hierin zijn te maken.

Status

 -

28.

Ontwikkeling loonkosten (stijging werkgeverslasten en CAO)

Omschrijving

De kans bestaat dat de loonkosten stijgen als gevolg van exogene factoren. Het betreffen wijzigingen in de percentages van de pensioenpremie en wijzigingen in diverse grondslagen en premies, bijvoorbeeld met betrekking tot WAO/WIA, zorgverzekeringswet, werkgeversbijdrage IPAP en levensloop. De provincie is verplicht deze wettelijke percentages toe te passen. In de afgelopen jaren schommelde het percentage voor de stijging van de werkgeverslasten tussen de 1,5% en 2%.

Afspraken over een eventuele nieuwe CAO zullen eveneens een kostenverhogend effect hebben op de loonkosten.

Impact

Uitgaande van 1,5% stijging werkgeverslasten bedraagt het financiële risico, op basis van het totaal aan vaste loonkosten 2016, € 1,6 mln.

Uitgaande van een structurele loonstijging van 1% (dit is gelijk aan de huidige inflatie) bedraagt het financiële risico van een nieuwe CAO € 1,1 mln.

Maatregelen

Uitvoering geven aan motie 390 (Démoed). In deze bij Begroting 2013 ingediende motie is Gedeputeerde Staten verzocht om in het vervolg niet-voorziene hogere loonkosten ten laste te laten komen van de desbetreffende programma's.

Daarnaast vermeldt het Hoofdlijnenakkoord 2015 – 2019 dat indien de inflatie (substantieel) hoger wordt dan tot op heden voorzien een en ander opgevangen dient te worden binnen de ontwikkeling van het accres van het Provinciefonds.

Status

Voor wat betreft de stijging van de werkgeverslasten is het een jaarlijks terugkerend, exogeen risico. De loonstijging als gevolg van CAO-afspraken is afhankelijk van de looptijd.

29.

Risico's regeling Individueel Keuzebudget (IKB), bovenwettelijke verlofdagen

Omschrijving

De hoogte van de loonkosten kunnen worden beïnvloed door de invoering van het Individueel Keuzebudget.

Impact

De impact van het risico wordt bepaald door de wijze waarop de medewerkers gebruik gaan maken van de mogelijkheden van het IKB. De bovenwettelijke verlofuren worden toegevoegd aan de regeling en worden in principe uitbetaald. De medewerkers kunnen verlofuren kopen. Aangezien 2015 het eerste jaar van de regeling IKB was zijn er nog geen ervaringsgegevens beschikbaar over het aantal medewerkers dat gebruik heeft gemaakt van dit recht. Dit zal dan leiden tot een stijging van de loonkosten. De totale waarde van de voormalige bovenwettelijke verlofuren die vanaf 2015 zijn uitbetaald bedroeg € 1,4 mln.

Maatregelen

De regeling zal worden gemonitord op gebruik. Zo nodig wordt bij voorjaars- en Najaarsnota een correctie op de loonkostenbudgetten voorgesteld.

Status

Het IKB is ingegaan op 1 januari 2015.

30.

Uitbetalen obligaties uitgegeven in 1957 en 1959

Omschrijving

In 1957 en 1959 heeft de provincie Zuid-Holland obligaties uitgegeven. In de periode van 30 jaar na uitgifte was de provincie verplicht om rentecoupons te vergoeden. Dit is inmiddels niet meer actueel. Daarnaast kunnen de eigenaren van de obligaties aanspraak maken op de hoofdsom. Hieraan is geen maximale termijn gekoppeld. De gemiddelde hoofdsom van een obligatie wordt ingeschat op

€ 57,-. Het aantal uitgegeven obligaties bedraagt circa 8.000. In totaal gaat het dus om een bedrag van € 0,5 mln.

Impact

Verzoeken tot uitkering van de hoofdsom worden sporadisch ontvangen. Dat zou kunnen betekenen dat van veruit de meeste obligaties de hoofdsom is uitgekeerd. Dat kan echter niet met zekerheid worden gezegd, omdat niet bekend is van hoeveel obligaties de hoofdsom inmiddels is verzilverd. Veelal gaat het om erfgenamen die uit de inboedel van de overledenen aanspraak kunnen maken op verzilvering. In de periode 2007-2015 is een bedrag op de coupons van € 19.377 uitgekeerd. De maximale schade is berekend door het maximaal openstaande bedrag te verminderen met de in 2007-2015 uitgekeerde coupons en de voorziening premieleningen die is ingesteld om de verzilvering te kunnen dekken.

Maatregelen

Er is een voorziening voor de premieleningen 1957 en 1959. Stand voorziening ultimo 2015 op basis van de huidige cijfers bedraagt € 73.652.

Status

Verzoeken tot uitbetalingen worden in behandeling genomen.

31.

Sloopkosten voormalige provinciale bescherming bevolking (BB) bunker

Omschrijving

De provincie huurde tot 1999 van Staatsbosbeheer in de Coepelduinen in Noordwijk een bunker voor haar rol in de civiele verdediging (bescherming bevolking). De bunker is toen afgedekt, waarbij het ondergrondse deel in stand is gelaten. De provincie heeft zich verplicht dit deel op haar kosten te verwijderen, indien nieuwe regelgeving dit vereist.

Impact

De sloopkosten worden geraamd op € 0,5 mln.

Maatregelen

Niet van toepassing.

Status

Het risico dat alsnog het ondergrondse deel van de bunker moet worden verwijderd, is gering.

32.

Restitutie ontgrondingheffing

Omschrijving

Tot 1 januari 2009 werd aan de houders van vergunningen voor ontgrondingen een heffing opgelegd. De heffing was gebaseerd op de Ontgrondingenwet en de Heffingsverordening Ontgrondingen Zuid-Holland. Als gevolg van de wijzigingen van de Ontgrondingenwet is een aantal heffingsgrondslagen komen te vervallen en is ervoor gekozen geen nieuwe Heffingsverordening vast te stellen. De heffing werd opgelegd over de hoeveelheid oppervlaktedelfstoffen waarvoor vergunningen waren verleend. Op grond van art. 21f van de Ontgrondingenwet vindt op verzoek van heffingsplichtige teruggaaf van de heffing plaats als de vergunning wordt ingetrokken of in die zin wordt gewijzigd dat de toegestane hoeveelheid stoffen wordt verminderd. Er is nog een aantal winplaatsen in bedrijf waarvoor een heffing is opgelegd en betaald. Het is niet uitgesloten dat deze winplaatsen, om verschillende redenen, uiteindelijk minder stoffen zullen opleveren dan vergund. Na intrekking of wijziging van de vergunning, kan de heffingsplichtige aanspraak maken op teruggave van een deel van de betaalde heffing.

Impact

Er is per 1 januari 2015 één zandwinning in bedrijf waarvoor een heffing is opgelegd. De opgelegde heffing betreft circa € 0,09 mln. Bij teruggave van een deel van de heffing zal het naar verwachting gaan om een bedrag in de orde van maximaal € 0,09 mln.

Maatregelen

Bestaande vergunningen: Eén.

Toelichting: de vergunde hoeveelheid grondstoffen is een maximum. De vergunning houdt niet de verplichting in deze hoeveelheid stoffen daadwerkelijk te winnen. Indien de vergunninghouder verzoekt de vergunning in te trekken of de vergunde hoeveelheid te verminderen, moet dat verzoek op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden ingewilligd.

Nieuwe vergunningen: Geen.

Toelichting: sinds 1 januari 2009 worden geen ontgrondingenheffingen meer opgelegd.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico.

33 .

Ontwikkelingen bezuiniging op regionale omroepen

Omschrijving

Door de regionale omroepen RTV Rijnmond en Omroep West is er beroep ingesteld tegen het besluit van GS om de boekjaarsubsidies met ingang van 1 januari 2013 met € 1 mln (per regionale omroep) te verlagen. Dit besluit maakt deel uit van een breder pakket van bezuinigingsmaatregelen.

De omroepen hebben bezwaar aangetekend. Dit bezwaar is ongegrond verklaard en vervolgens hebben de omroepen beroep aangetekend bij de bestuursrechter.

Eind augustus 2015 zal er een zitting zijn over deze zaak. Bij een positieve uitspraak voor de provincie is het mogelijk dat de omroepen naar de Raad van State gaan. De inschatting op dit moment is dat er medio 2016 meer duidelijkheid is over de afloop van deze zaak. Ondanks dat de kans op nihil wordt geschat dat er een beroep moet worden gedaan op de weerstandscapaciteit is er wel een risicoreservering gemaakt.

Impact

De kans dat er een beroep gedaan moet worden gedaan op de weerstandscapaciteit wordt ingeschat op zeer minimaal.

Maatregelen

Zorgvuldige onderbouwing van het besluit; juridische ondersteuning.

Status

Zie omschrijving.

1. Inleiding

Aanvullend op de informatie uit de jaarrekening bevat de paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing een verdieping op de beoordeling van de financiële positie van de provincie. Dit verloopt via twee sporen:

  • presentatie en in onderlinge samenhang toelichten van zes (door het BBV voorgeschreven) financiële kengetallen, te weten: de netto schuldquote, de netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen, de solvabiliteitsratio, de grondexploitatie, de structurele exploitatieruimte en belastingcapaciteit (zie onderdeel 2);

  • Presentatie / toelichting op de mate waarin de provincie voldoende weerbaar is om eventuele financiële gevolgen van risico's op te kunnen vangen (zie onderdeel 3).

Alvorens hier op in te gaan wordt hieronder aangegeven welke kaders van toepassing zijn op de paragraaf weerstandsvermogen en Risicobeheersing:

  1. wettelijk kader

  2. eigen provinciaal beleid: door PS vastgestelde nota weerstandsvermogen en risicomanagement (eind 2016 is deze de technische herziene nota vastgesteld door PS, de technische herziene nota treedt in werking met ingang van de Begroting 2017).

Ad 1, wettelijk kader

Het BBV (artikel 11) schrijft voor dat zowel de begroting als de jaarrekening van decentrale overheden een paragraaf weerstandsvermogen en Risicomanagement moet hebben met in ieder geval:

  • een inventarisatie van de weerstandscapaciteit (dat wil zeggen de middelen die de provincie beschikbaar heeft of beschikbaar kan maken om niet-begrote lasten op te kunnen vangen);

  • een inventarisatie van de risico's (die nog niet in voldoende mate zijn afgedekt door beheersmaatregelen);

  • het beleid omtrent risico's en weerstandscapaciteit;

  • de zes genoemde financiële kengetallen en een beoordeling hiervan in relatie tot de financiële positie.

Ad 2, provinciaal beleid

  • onderscheid tussen structurele en incidentele weerstandscapaciteit;

  • vaste samenstelling structurele weerstandscapaciteit (post onvoorzien, onbenutte belastingcapaciteit, structureel begrotingssaldo);

  • vaste samenstelling incidentele weerstandscapaciteit (algemene reserve, juridisch niet-beklemde deel van de programmareserves);

  • ondergrens voor omvang algemene reserve (€ 30 mln);

  • spelregels voor het doen van een beroep op de algemene middelen (voordat daar een beroep op wordt gedaan moet eerst bekeken worden of dekking binnen betreffend doel / programma kan worden gevonden);

  • streefwaarde voor verhouding tussen weerstandscapaciteit en risico's (zogenaamd weerstandsvermogen) van minimaal "2"); dat wil zeggen dat voor elke euro aan risico's minimaal twee euro aan weerstandscapaciteit beschikbaar is of is te maken;

  • specifieke weerstandscapaciteit voor infrastructurele projecten (met ingang van 2017 wordt er een aparte risicoparagraaf opgenomen in het kaderbesluit infrastructuur en PZI).

Bij de beoordeling van het weerstandsvermogen kan het volgende schema als uitgangspunt dienen:

A

>2

uitstekend (streefwaarde PZH)

1,4-2,0

ruim voldoende

C

1,0-1,4

voldoende

D

0,8-1,0

matig

E

0,6-0,8

onvoldoende

F

<0,6

ruim onvoldoende

 

2. Financiële kengetallen

Het herziene BBV bepaalt dat gemeenten en provincies zes financiële kengetallen opnemen in hun begroting en deze in onderlinge samenhang toelichten. Provinciale Staten (en de Gemeenteraad) kunnen deze informatie gebruiken in hun beoordeling van de financiële positie van de provincie. De zes kengetallen zijn een gezamenlijke keuze geweest van Rijk, gemeenten en provincies. Het BBV geeft geen normen voor de kengetallen. Wel zijn zogeheten signaleringswaarden afgesproken.

In deze jaarrekening wordt inzicht gegeven in de zes kengetallen voor de stand ultimo 2015 en 2016. In de begroting wordt ook meerjarig vooruitgekeken naar de ontwikkeling van de kengetallen op lange termijn (15 jaar).


Uitleg van de kengetallen

De zes kengetallen zijn:

  • netto schuldquote. Dit kengetal geeft inzicht in de mate waarin de schuldenlast drukt op de exploitatie en wordt berekend door het totaal van de geleende gelden te delen door de jaarlijkse baten. Voor meer informatie zie de paragraaf financiering.

  • Gecorrigeerde netto schuldquote. De netto schuldquote kan worden beïnvloed doordat er geld wordt geleend om vervolgens weer uit te lenen (voor realisatie van publieke doelstellingen). Hiervoor wordt de netto schuldquote gecorrigeerd met de uitstaande leningen.

  • Solvabiliteit. Dit kengetal gaat in op de mate waarin de provincie in staat is om aan haar toekomstige verplichtingen te voldoen. Dit kengetal wordt berekend door het eigen vermogen te delen door het totale vermogen.

  • Structurele exploitatieruimte. Dit kengetal geeft inzicht in de mate waarin de provincie bijvoorbeeld structurele tegenvallers op kan vangen en wordt berekend door de structurele baten te verminderen met de structurele lasten en dit bedrag vervolgens te delen door de totale baten.

  • Belastingcapaciteit. Dit kengetal geeft aan hoe het opcententarief van een provincie zich verhoudt tot het gemiddelde van alle provincies tezamen. Dit is dus wat anders dan het voor het bepalen van de weerstandsvermogen gehanteerde begrip 'onbenutte belastingcapaciteit'. Dit is namelijk het verschil tussen de werkelijke opcententarief van de provincie en het wettelijke maximumtarief. Zie paragraaf Lokale heffingen.

  • Grondexploitatie. Dit kengetal geeft in het risico inzake grondposities en wordt berekend door de omvang van grondposities ( die specifiek als doel hebben om bebouwd en verkocht te worden) te delen door de jaarlijkse baten. Voor meer informatie zie de paragraaf Grondbeleid.

De volgende signaleringswaarden zijn afgesproken met het Rijk.

kengetal

gezond

neutraal

risicovol

netto schuldquote

<90%

90-130%

>130%

netto schuldquote gecorrigeerd

<90%

90-130%

>130%

solvabiliteitsratio

>50%

20-50%

<20%

structurele exploitatieruimte

>0%

0%

<0%

belastingcapaciteit

<95%

95-105%

>105%

grondexploitatie

<20%

20-35%

>35%


Uitkomsten van de kengetallen

Hieronder staan de uitkomsten van de kengetallen weergegeven in relatie tot de met het Rijk afgesproken signaleringswaarden. Samenvattend is het beeld ultimo 2016 als volgt:

 

Jaarrekening 2015

Begroting 2016*)

Jaarrekening 2016

netto schuldquote

70,6%

81,3%

38,7%

netto schuldquote gecorrigeerd

70,4%

80,3%

36,3%

solvabiliteitsratio

33,5%

37,8%

44,5%

structurele exploitatieruimte

16,2%

7,9%

22,8%

belastingcapaciteit

116,9%

114,1%

114,5%

grondexploitatie

0,3%

0,3%

0,2%

*) Voor de cijfers over 2016 is gebruik gemaakt van geactualiseerde gegevens uit de Begroting 2017.

Ten opzichte van de Begroting 2016 is sprake van een voordelige ontwikkeling van de meeste kengetallen.

De netto schuldquote verbetert door een hogere reservepositie (toename eigen vermogen) en lagere investeringen dan in de begroting geraamd. Door de toename van het eigen vermogen verbetert ook de solvabiliteitsratio. Aandachtspunt op korte termijn is de hoogte van het opcententarief ten opzichte van het gemiddelde tarief van alle provincies tezamen.

In de Begroting 2017 wordt ingegaan op het meerjarenbeeld van de kengetallen. Het beeld is dat door de uitvoering van bestaand beleid de schuldquote, solvabiliteitsratio en structurele exploitatieruimte in de categorie 'risicovol' terecht gaan komen.

 

3. weerstandsvermogen en risicomanagement

In dit onderdeel wordt ingegaan op de vraag in hoeverre de provincie voldoende weerbaar is voor het opvangen van de financiële gevolgen van risico's (die niet volledig zijn afgedekt door beheersmaatregelen).

Samenvattende kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

  • Ratio voor het weerstandsvermogen is uitstekend.

Evenals voorgaande jaren beschikt de provincie over een uitstekend weerstandsvermogen. Er zijn dus voldoende middelen beschikbaar of beschikbaar te maken om de financiële gevolgen van de onderkende risico's op te vangen. Het weerstandsvermogen voor structurele risico's bedraagt een factor "4" (namelijk € 70 mln aan structurele weerstandscapaciteit delen door bijna € 17 mln aan structurele risico's). Het weer­stands­ver­mogen voor incidentele risico's bedraagt een factor "17,5" (namelijk € 517 mln aan incidentele weerstandscapaciteit delen door ruim € 29 mln aan incidentele risico's). Dit is in beide gevallen ruim boven de streefwaarde van "twee".

  • Veel risico's worden binnen de programma's opgevangen

De provincie heeft een zeer ruim weerstandsvermogen voor incidentele risico's. Dit komt doordat de provincie (in tegenstelling tot veel andere decentrale overheden) niet alleen de algemene reserve, maar ook (een deel van) de programmareserves rekent tot de weerstandscapaciteit. Daarnaast geldt dat veel risico's bewust al binnen de programma's worden opgevangen, zoals bijvoorbeeld geldt voor de weerstandscapaciteit voor infraprojecten en de risicoreserves voor revolverende fondsen.

  • Structureel weerstandscapaciteit sterk afhankelijk van onbenutte belastingcapaciteit.

Bij de berekening van de structurele weerstandscapaciteit houdt de provincie geen rekening met het huidige structurele begrotingssaldo. Achterliggende reden is dat de provincie verwacht dat dit saldo zich op lange termijn nadelig ontwikkelt met mogelijk een structureel tekort na 2023 tot gevolg. Gevolg is dat de provincie voor de structurele opvangcapaciteit voor risico's sterk leunt op de onbenutte belastingcapaciteit.

 

3a. Toelichting op de inventarisatie van de weerstandscapaciteit

Hieronder staat de omvang van de weerstandscapaciteit toegelicht.

Structurele weerstandscapaciteit (bedragen x € 1 mln)

Post onvoorzien

0,5

Structureel begrotingssaldo *)

0,0

Onbenutte belastingcapaciteit**)

69,5

Totaal

70,0

*) Als structureel saldo wordt uitgegaan van een bedrag van nul euro. Reden is dat de provincie verwacht dat bij ongewijzigd beleid het structureel saldo op lange termijn nadelig ontwikkelt en er mogelijk zelfs (na 2023) een tekort kan ontstaan.

**) voor de onbenutte belastingcapaciteit wordt uitgegaan van de meest actuele situatie (namelijk de stand van de Begroting 2017).

Incidentele weerstandscapaciteit (bedragen x € 1 mln)

Algemene reserve

77,5

Programmareserves

572,3

Af: juridisch verplichte deel programmareserves

-133,1

Totaal

516,7

 

3b. Toelichting op de inventarisatie van de risico's

Onderstaande tabel bevat de uitkomsten van de inventarisatie van risico's (die niet volledig zijn afgedekt door beheersmaatregelen).

Nr.

Risico

bedragen x € 1 mln

 

max. schade

kans van optreden

Effect netto (i)

Effect netto (s)

Doel

1

Lagere uitkering Provinciefonds

12,0

50-75%

 

8,1

5.1

2

Lagere opbrengst MRB

3,0

0-25%

 

0,4

5.1

3

Schadeclaims vergunningverlening ontgrondingen

10,0

0-25%

 

1,3

1.6

4

Waardeontwikkeling grondaandeel Zuidplas

i

17,0

0-25%

2,1

 

3.5

5

Financiële gevolgen NNN / UPG

1,0

0-25%

 

0,1

1.3/1.4

6

BRZO / RIE-bedrijven kunnen niet meer aan vergunningplicht voldoen

15,0

0-25%

 

1,9

1.6

7

Garantstelling personenvervoer over water

i

5,5

0-25%

0,7

 

2.2

8

Deelname GR Midden-Delfland

i

PM

PM

PM

 

1.3

9

Deelname aan ontwikkelingsmaatschappij Nieuwe Westland

i

1,4

75-100%

1,2

 

3.1

10

EC kan subsidiabiliteit betwisten

i

17,4

0-25%

2,2

 

3.1

11

Niet tot uitvoering komende infraprojecten

i

9,5

0-25%

1,2

 

2.1

12

Renterisico

2,0

25-50%

 

0,8

2.2

13

Omgevingsrisico's vergunningverlening en handhaving

5,0

0-25%

 

0,6

1.6

14

Derde Merwedehaven

i

PM

0-25%

PM

 

1.6

15

Maatregelen Rijk EMU-tekort

i

100,0

0-25%

12,5

 

5.1

16

Risico's PMR

i

15,3

0-25%

1,9

 

1.3

17

Deelname ROM-D

i

8,2

0-25%

1,0

 

3.1

18

Deelname IQ

i

5,3

0-25%

0,7

 

3.1

19

Geen aflossing gegarandeerde leningen

i

2,6

0-25%

0,3

 

5.1

20

Herinrichting Meeslouwerplas

i

4,4

0-25%

0,6

 

1.2

21

Indexatiekloof OV

1,3

75-100%

 

1,1

2.2

22

Inlenersaansprakelijkheidsrisico

0,3

0-25%

 

0,0

1 t/m 5

23

Doorlevering gronden TBO's

i

9,6

0-25%

1,2

 

1.3

24

Meerkosten a.g.v. onverwachte incidenten areaal

i

25,0

0-25%

3,1

 

2.1

25

Ontwikkeling loonkosten

3,0

75-100%

 

2,6

1 t/m 5

26

Individueel keuzebudget

i

1,4

25-50%

0,5

 

1 t/m 5

27

Uitbetalen obligaties

i

0,4

0-25%

0,1

 

5.1

28

Sloopkosten BB-bunker

i

0,5

0-25%

0,1

 

1.3

29

Invoering omgevingswet

PM

PM

 

PM

3.4

 

Totaal

     

29,4

16,9

 

1.

Lagere uitkering Provinciefonds

Omschrijving

Risico is dat de inkomsten uit het Provinciefonds afwijken van wat in de begroting geraamd is, door:

  • ontwikkelingen in het accres (het fonds is via het zogeheten accres gekoppeld aan de ontwikkeling van de netto gecorrigeerde rijksuitgaven);

  • ontwikkelingen in de verdeelmaatstaven (bijvoorbeeld aantal inwoners / woonruimten);

  • effecten van taakmutaties (bijvoorbeeld bij nieuwe taken voor provincies of bij overheveling van taken en bijbehorende middelen aan gemeenten);

  • effecten van onder- en overschrijdingen van het plafond van het BTW-compensatiefonds;

  • de mogelijkheid van een eenzijdige korting door een nieuw kabinet.

Impact

Kleine ontwikkelingen (in accres, verdeelmaatstaven, taken, BCF) kunnen naar verwachting worden opgevangen binnen de behoedzaamheidsmarge, die de provincie Zuid-Holland hanteert bij het ramen van de inkomsten uit het Provinciefonds (dat is een vast bedrag van € 2 mln).

Het grootste risico speelt in 2017 als er na de Tweede Kamer verkiezingen een nieuw kabinet aantreedt.

Een nieuw kabinet kan (evenals vier jaar geleden) kiezen voor een generieke korting op het Provinciefonds. In de verschillende verkiezingsprogramma's wordt gesproken over een efficiencykorting op Provincie- en Gemeentefonds van € 900 mln. Het aandeel van de provincie Zuid-Holland hierin bedraagt zo'n € 12 mln structureel.

Maatregelen

  • op de voet volgen van ontwikkelingen (CPB-rapporten, rijksbegroting, circulaires);
  • betrokkenheid via het IPO bij onder andere verdeelvraagstukken;
  • hanteren behoedzaamheid bij het ramen van de inkomsten uit het Provinciefonds.

Status

De mogelijkheid bestaat dat een nieuw kabinet kiest voor een nieuwe korting op het Provinciefonds.

Mogelijk is daar in het najaar (afhankelijk van de duur van de kabinetsformatie) meer duidelijkheid over.

2.

Lagere opbrengsten Motorrijtuigenbelasting (MRB)

Omschrijving

Risico is dat de inkomsten uit de opcenten lager uitvallen dan geraamd.

Bepalend voor de omvang van de inkomsten zijn het aantal belastingplichtige auto's, het gemiddelde gewicht en het betaalgedrag van de belastingplichtigen. Deze variabelen zijn weer afhankelijk van macro-economische factoren (zoals de koopkracht van gezinnen), maatschappelijke ontwikkelingen (veranderende voorkeuren) en wet- en regelgeving (mate waarin sprake kan zijn van vrijstellingen).

Impact

De onzekerheid in de omvang van de inkomsten door exogene ontwikkelingen is relatief beperkt. In de raming wordt rekening gehouden met een behoedzaamheid van 1% van de geraamde inkomsten (1% staat voor een bedrag van ongeveer € 3 mln structureel). In de begroting wordt dus 1% afgeroomd van de daadwerkelijke raming.

De afgelopen jaren is deze marge voldoende gebleken om nadelige ontwikkelingen in de inkomsten op te vangen. De kans op een grotere impact dan deze 1% wordt dan vooralsnog ook als beperkt beschouwd (0-25%).

Maatregelen

  • Ontwikkelingen in het wagenpark worden gevolgd (op basis van de gegevens van de belastingdienst per 1 januari en 1 juli van het kalenderjaar;

  • Maandelijks rapporteert de belastingdienst over de werkelijk ontvangen inkomsten;

  • Bij het ramen van de inkomsten wordt een behoedzaamheidsmarge gehanteerd van 1% (dit staat gelijk aan € 3 mln).

Status

De raming voor de Begroting 2017 is gebaseerd op het wagenparkoverzicht van de belastingdienst en het opcententarief. Dit is conform de Kadernota en de bestuurlijke besluitvorming rondom een 'Slimmer, schoner en sterker Zuid Holland'; 91,4 voor de periode 2017 t/m 2019 en daarna 91,7.

3.

Schadeclaims vergunningverlening voor ontgrondingen

Omschrijving

In de Ontgrondingenwet is een regeling voor nadeelcompensatie opgenomen. Nadeelcompensatie houdt in dat de overheid aan belanghebbenden de schade vergoedt die zij ondervinden van een op zichzelf rechtmatig overheidsbesluit. De regeling in de Ontgrondingenwet houdt in dat de provincie aan de aanvrager van de vergunning of aan andere belanghebbenden de schade moet vergoeden die deze lijden als gevolg van een ontgrondingsvergunning, indien deze schade redelijkerwijs niet voor hun rekening hoort te blijven. Ook buiten het geval van nadeelcompensatie is het mogelijk dat de provincie wordt geconfronteerd met een claim van schade die is ontstaan als gevolg van een vergunde ontgronding. In het bijzonder bij grote actuele ontgrondingen, zoals zandwinningen, is het risico op schade aan de omgeving reëel aanwezig.

Impact

Per geval kan de schadeclaim hoog zijn. Dit wordt beïnvloed door de aard en de omvang van de ontgronding en het karakter van de omgeving. Voor een grote zandwinning moet de omvang van de mogelijk te vergoeden schade worden gesteld op circa € 10 mln.

Maatregelen

De vergunningverlening is sinds 1 januari 2013 ondergebracht bij Omgevingsdienst Haaglanden; toezicht en handhaving gebeuren door de omgevingsdienst waarbinnen de desbetreffende ontgronding plaatsvindt. Beperking van dit risico door de provincie vergt adequaat toezicht op een zorgvuldige uitvoering van deze taken door de omgevingsdienst.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. In 2014 heeft de Raad van State een vordering in verband met ambtshalve wijziging ontgrondingenvergunning Zevenhuizerplas afgewezen. In augustus 2015 is er een dagvaarding gekomen voor de stillig schadeclaim in relatie met deze ambtshalve wijziging. De provincie kan voor deze vordering een beroep doen op de aansprakelijkheidsverzekering (onrechtmatig handelen in verband met vernietiging van een besluit). De mogelijkheid tot claims voor deze ambtshalve wijziging verjaart in 2017.

4.

Gevolgen waardeontwikkeling grondaandeel Zuidplas

Omschrijving

De provincie neemt voor 40% deel aan de Gemeenschappelijke Regeling (GR) Grondbank Rotterdam Zoetermeer Gouda (RZG) Zuidplas. Deze gronden zullen ten behoeve van de beoogde gebiedsontwikkeling worden verkocht. De ontwikkeling zal geleidelijk plaatsvinden over een langere periode. De bezittingen van de Grondbank liggen voor een aanzienlijk deel in de deelgebieden die pas na 2025 aan de orde zullen komen. De opbrengst van de verkoop is onzeker, het risico bestaat dat de daadwerkelijke waarde van de bij de Grondbank in eigendom zijnde grond lager is dan de boekwaarde, maar het is ook goed mogelijk dat de verkoop leidt tot een hogere opbrengst dan de boekwaarden. Omdat de boekwaarden van alle gronden nu hoger is dan de taxatiewaarde heeft de Grondbank een negatieve algemene reserve. Dit is toegestaan mits er voldoende perspectief is op herstel. Op grond van de in opdracht van de Grondbank uitgevoerde berekeningen is geconstateerd dat dit perspectief er (deels) is. De onzekerheden en afhankelijkheden zijn echter zeer groot. Nieuwe ontwikkelingen in de Zuidplas kunnen overigens op termijn zowel een positief als een negatief effect hebben op de waardeontwikkeling van de gronden. Ook kan aanpassing van het provinciaal ruimtelijk beleid ertoe leiden dat op deelgebieden bepaalde ontwikkelingen niet meer wenselijk zijn. Dit kan leiden tot verminderde opbrengst bij verkoop.

Impact

Per 1 januari 2015 bezit de Grondbank circa 301 ha grond met een boekwaarde van circa € 97 mln. De provincie is voor 40% risicodragend. De GR Grondbank blijft in ieder geval tot 1 januari 2020 bestaan. Bij de berekening van de maximale waardedaling wordt uitgegaan van een situatie waarin de waarde van de grond daalt tot agrarische waarde. Deze maximale waardedaling is aanvullend op het bedrag waarvoor al een voorziening is getroffen.

Maatregelen

  • Als gevolg van waardedalingen van de gronden heeft de Grondbank in 2011 een voorziening grondvoorraden ad € 30 mln opgenomen en daar een negatief eigen vermogen van € 30 mln tegenover gezet. Op basis daarvan heeft de provincie in 2011 een voorziening getroffen van € 12 mln (40% van het negatieve eigen vermogen).

Elk jaar wordt 1/3 deel van de gronden opnieuw getaxeerd door een onafhankelijke taxateur. De uitkomst wordt geëxtrapoleerd naar het totale grondbezit. Eventuele waardedalingen of -stijgingen worden verrekend met de deelnemers.

Op grond van de eind 2015 uitgevoerde taxaties is geconstateerd dat de boekwaarde van de gronden met € 6 mln is gestegen, waardoor de provincie € 2,4 mln van de voorziening kan laten vrijvallen (40% van € 6 mln). De stand van de voorziening per 31-12-2015 bedraagt nu € 9,6 mln.

  • Het bestuur van de Grondbank stelt periodiek een UitnamestrategieKader vast. Hierin zijn onder andere het beleid voor gronduitgifte, het beheer en de stimulering van gebiedsontwikkeling vastgelegd. In 2016 zal een nieuw Uniform SubsidieKader (USK) worden vastgesteld.

  • Het risico kan daarnaast beheerst worden door het in ontwikkeling brengen van gronden op basis van de afspraken die de samenwerkende partijen daarover maken.

  • Gronden die op basis van het ruimtelijk beleid niet in aanmerking komen voor verdere ontwikkeling worden door de Grondbank afgestoten.

  • Het USK uitvoeren zoals beheer van gronden met doel waarde behoud en het proactief reageren op de vraag uit de markt.

Vanaf 2012 worden de rente- en organisatiekosten niet meer aan de boekwaarde toegerekend, maar verwerkt in de deelnemersbijdrage. Hierdoor neemt de boekwaarde niet verder toe.

Status

In de Visie Ruimte en Mobiliteit is de Zuidplaspolder als gewenste locatie voor het opvangen van de bovenregionale behoefte aan bedrijventerreinen en aan landelijke en dorpse woonmilieus herbevestigd. Daardoor blijft ontwikkeling op het grootste deel van de gronden van de Grondbank voor het oorspronkelijke doel mogelijk. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in haar rol als toezichthouder op de GR Grondbank aangegeven dat ze ervan uitgaat dat uiterlijk in 2018 de negatieve algemene reserve weer positief is om de risico's van de Grondbank te kunnen opvangen. Dit versterkt de noodzaak van het in ontwikkeling brengen van de gronden. De invoering van Vennootschapsbelasting voor overheidsorganisaties kan in de toekomst voor de Grondbank financiële consequenties hebben. Hierop is zoveel mogelijk geanticipeerd.

5.

Financiële risico's ontwikkelopgave NNN / UPG

Omschrijving

Risico is dat de provincie niet of niet tijdig voldoende middelen beschikbaar heeft om de ontwikkelopgave voor het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) te kunnen realiseren.

Impact

  • Grond voor grond: de verkoop van provinciale gronden kan tegenvallen door dalende grondprijzen. In de Uitvoeringsstrategie is uitgegaan van een gemiddelde opbrengst van € 6 mln per jaar. Het is lastig om een inschatting te maken van de hoogte van eventuele tegenvallers door lagere grondprijzen, uitgegaan wordt van een maximaal risico van € 1 mln per jaar. De kans van optreden van dit risico wordt als laag beschouwd (0-25%).

  • Rijksmiddelen: volgens de Uitvoeringsstrategie is de rijksbijdrage gemiddeld circa € 7,5 mln per jaar. Met het Rijk is voor 2014 en 2015 een lagere bijdrage afgesproken die in 2016/2017 wordt gecompenseerd. Mocht hierin verandering optreden vanwege gewijzigd rijksbeleid dan wordt het maximale risico ingeschat op € 7 mln. De kans dat dit risico zich voordoet wordt als nihil beschouwd.

Maatregelen

De volgende beheersmaatregelen zijn/worden genomen:

  • Conform de Uitvoeringsstrategie EHS geldt het uitgangspunt dat doelen en middelen in balans moeten zijn, dit is inclusief het beheer van nieuwe natuurgebieden. In de Uitvoeringsstrategie NNN worden drie fasen onderscheiden (2013-2016, 2017-2021 en 2021-2027) met elk een eigen ijkpunt. Doel is dat PS weloverwogen keuzes kan maken ten aanzien van de inzet van middelen in relatie tot de beschikbaarheid ervan en de programmering. Voor de risicobeheersing heeft PS een strategische reservering opgenomen. In 2021 besluit PS of er voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de strategische reservering uit te kunnen voeren. Ten aanzien van de grond-voor-grond opbrengsten zal een actief beleid worden gevoerd om alle gronden tijdig vrij te spelen voor de verkoop, zodat de geplande opbrengst kan worden gerealiseerd. Op dit moment is de grondprijs gunstig en vormt geen drukkende factor op de opbrengst;

  • In het Hoofdlijnenakkoord 2015-2019 zijn structurele middelen beschikbaar gesteld waarmee de toename van de beheerlasten na realisatie van de NNN-opgave in de periode t/m 2021 gedekt is. Gecontinueerd worden de maatregelen om de uitvoeringslasten van subsidieverlening te verlagen. Hiermee is het risico van onvoldoende middelen voor beheer gereduceerd tot nihil;

  • De genoemde incidentele tegenvallers kunnen worden beperkt door heldere afspraken te maken met (gebieds-) partijen, waarbij eventueel in af te sluiten overeenkomsten taakstellende budgetten worden afgesproken. Dit geldt eveneens voor de EU-middelen voor agrarisch natuurbeheer. Wanneer de bijdragen van regionale partijen achterblijven, zal de programmering worden aangepast.

Status

In oktober 2016 is voor de NNN de nieuwe programmaperiode 2017-2021 uitgewerkt en vastgesteld. Hierin is opgenomen een analyse van de risico's voor deze nieuwe periode. De voortgang geeft geen reden voor bijstelling van het financiële risico.

6.

BRZO en/of RIE-bedrijven kunnen niet meer aan vergunningplicht voldoen

Omschrijving

De provincie is bevoegd gezag voor de vergunningverlening aan BRZO en/of RIE (Besluit risico zware ongevallen / richtlijn industriële emissies) bedrijven. Ingeval van een faillissement en/of calamiteiten (zoals brand) kan de situatie ontstaan dat een bedrijf niet meer aan zijn vergunningplicht kan voldoen. Hierbij kan sprake zijn van gevolgschade. Bij gevolgschade kan gedacht worden aan de kosten van verwijdering van (afval)stoffen of sanering. Indien een bedrijf niet meer aan zijn vergunningplicht kan voldoen betekent dit niet automatisch dat de provincie verantwoordelijk is voor de ontstane schade. In eerste instantie zal gekeken worden naar de vergunninghouder en zijn verzekering. Indien de vergunninghouder failliet is en er onvoldoende middelen in de boedel aanwezig zijn, komen de eigenaren van de grond en opstallen in beeld. Indien er dan restkosten overblijven waarvoor geen juridisch aan te spreken verantwoordelijke is, kan de provincie er vanuit haar maatschappelijke verantwoordelijkheid voor kiezen (een deel) van deze kosten voor haar rekening te nemen.

Impact

De kans dat dit risico zich voordoet wordt zeer klein geacht (de laatste keer dat dit zich voor heeft gedaan was circa 10 jaar geleden). Als het zich voordoet kan de impact behoorlijk groot zijn (al kunnen de kosten per situatie sterk verschillen). Voor de berekening in de paragraaf weerstandsvermogen wordt daarom uitgegaan van een zeer kleine kans van optreden (0-25%) met een maximale impact van € 15 mln (uitgaande van hooguit één incident per jaar).

Maatregelen

De omgevingsdiensten voeren het toezicht op de betreffende bedrijven uit conform de nota VTH.

  • Door goed toezicht te houden en scherp te handhaven op naleving van de voorschriften voor omvang en soorten (afval)stoffen, wordt het risico beperkt tot de vergunde (afval)stoffen.

  • De BRZO / RIE-bedrijven worden periodiek gecontroleerd op de wijze van opslag van de (gevaarlijke) stoffen.

De omgevingsdiensten voeren regelmatig en frequent overleg met de portefeuillehouders vergunningverlening en toezicht & handhaving over uitvoeringsdilemma's en beoogde handhavingsbesluiten.

Op grond van de provinciale mandaatbesluiten moeten de directeuren van de omgevingsdiensten informatie verschaffen aan- en overleg voeren met de portefeuillehouder indien de uitoefening van een gemandateerde bevoegdheid naar verwachting politieke en maatschappelijke gevolgen kan hebben of indien een besluit tot consequentie kan hebben dat de provincie of Gedeputeerde Staten aansprakelijk worden gesteld of anderszins aangesproken worden.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. Door de wijze waarop toezicht wordt gehouden en het feit dat het risico zich afgelopen jaren niet heeft voorgedaan, wordt de kans van optreden als klein ingeschat.

Conform de inschatting heeft dit risico zich in 2016 niet voorgedaan.

7.

Garantstelling Contract Personenvervoer over Water (POW)

Omschrijving

Het Contract Personenvervoer over Water (POW) betreft een vervoersdienst tussen Dordrecht en Rotterdam en binnen de Drechtsteden. Dit contract loopt van 1 januari 2010 tot 1 januari 2022. Hierin is opgenomen dat de in te zetten schepen aan het einde van de contractperiode overgaan naar de nieuwe vervoerder tegen het voorgeschreven restant van de boekwaarde van € 2,9 mln ultimo 2021. Tegenover de vreemd vermogen verstrekker staat de provincie garant voor het verschil tussen de opbrengst en de boekwaarde van de schepen bij tussentijdse beëindiging vanwege betalingsproblemen van de vervoerder. Deze garantstelling is in 2015 geactualiseerd en bevestigd aan Rabobank.

Impact

Maximale impact van het risico op basis van stand ultimo 2016 is € 5,5 mln.

Maatregelen

In de aanbestedingsleidraad zijn door de provincie diverse aanvullende maatregelen opgenomen die de kans op een succesvolle exploitatie van POW vergroten.

Status

Het contract is ingegaan per 1 januari 2010.

8.

Deelname GR Midden-Delfland

Omschrijving

In 2016 is de uittreding van het Rijk uit het recreatieschap Midden-Delfland afgerond. Het Rijk heeft een bedrag van € 3,7 mln aan het schap overgemaakt en zich verplicht aanvullend € 2 mln via Staatsbosbeheer in het gebied te investeren. Met de ontvangst van de afkoopsom van € 3,7 mln heeft het schap voldoende middelen om de uittreding van het Rijk binnen de binnen het schap beschikbare middelen af te ronden. Verwerking zal in de Jjaarrekening 2016 van het schap plaatsvinden.

Daarnaast heeft in december 2016 in het Dagelijks Bestuur van het recreatieschap Midden-Delfland besluitvorming plaatsgevonden over reductie van het structurele exploitatietekort. Het structureel financieel effect van dit besluit bedraagt € 0,5 mln, ten opzichte van het in de Begroting 2017 ontstane exploitatietekort van circa € 0,8 mln. Zodoende resteert nog een tekort voor 2017 van € 0,3 mln.

Impact

Het risico voor het schap is met de afronding van de uittreding van het Rijk komen te vervallen. Voor de provincie is het risico na 31-12-2017 nul, aangezien de provincie dan zelf is uitgetreden.

Maatregelen

Na het opmaken van de Jaarrekening 2016 en de ontwikkelingen rond het recreatieschap in 2017 zal verder worden bezien of aanvullende voorstellen c.q. maatregelen benodigd zijn.

Status

Is vanaf 2018 voor de provincie geen risico meer.

9.

Deelname risico Ontwikkelingsmaatschappij Het Nieuwe Westland (ONW)

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland besloot in 2002 tot deelname in de Ontwikkelingsmaatschappij Het Nieuwe Westland (ONW), een publiek-private samenwerking, waarin verder de voormalige Westlandgemeenten (inmiddels gefuseerd tot één gemeente), het Hoogheemraadschap Delfland en BNG Gebiedsontwikkeling participeren. De ONW is bedoeld als instrument om de ambities van het Integraal Ontwikkelingsprogramma Westland (IOPW) te realiseren. De projectenportefeuille bestaat nog slechts uit woningbouwlocaties. De provincie ziet daarin geen eigen beleidsdoelen.

De deelneming kent een gemaximeerd risico ter grootte van het gestorte eigen vermogen. Op dit moment is dat bedrag van € 1,4 mln volledig gestort.

Het risico dat gelopen wordt houdt verband met het resultaat van de grondexploitatie. Sluit de grondexploitatie op € 0, dan krijgt de provincie haar € 1,4 mln terug. Een positief resultaat betekent ook voor de provincie winst, een negatief resultaat betekent ook voor de province verlies.

Impact

Uittreden kan grote financiële consequenties hebben die op kunnen lopen tot de omvang van het aandelenkapitaal van Zuid-Holland. Dit is een bedrag van € 1,4 mln (het volledige bedrag is inmiddels volgestort). Na onderhandeling is afgesproken dat de provincie aandeelhouder blijft, het eigen vermogen niet uitbreidt (BNG en gemeente hebben dit wel gedaan) en zich niet mengt in het handelen van ONW.

Maatregelen

Er is geen acute aanleiding om uit te treden en daarmee het verlies volledig te nemen.

Gezien de huidige markt voor woningbouw is sprake van een hoog risicoprofiel met betrekking tot de waardeontwikkeling van het aandelenkapitaal. De provincie treft geen maatregelen.

Status

Zie maatregelen.

10.

De Europese Commissie kan subsidiabiliteit van uitgaven betwisten

Omschrijving

De provincie loopt bij Europese projecten (voor de onderdelen waarvoor zij eindverantwoordelijk is) het risico dat uitgaven achteraf als niet-subsidiabel worden aangemerkt, omdat niet voldaan is aan administratieve eisen. Dit blijkt bij toetsing van uitgaven op basis van voortgangs- en eindrapportages. Het maximale risico is het relatieve aandeel van de Europese subsidie in de gemaakte en nog niet gecontroleerde en gecertificeerde uitgaven. Daarnaast bestaat bij een afgesloten Europees subsidieproject het risico dat achteraf uitgaven ten behoeve van het project niet-subsidiabel worden geacht naar aanleiding van een controle. Subsidies kunnen dan, zelfs vijf jaar na afsluiting van het subsidieprogramma, worden teruggevorderd. Het teruggevorderde bedrag kan oplopen tot 50% van de totale omvang van de projectkosten.

Impact

Voor de lopende projecten 2014 tot en met 2023 bedraagt de maximale impact een bedrag van

€ 1,5 mln; het betreft hier gemaakte en nog niet gecontroleerde en gecertificeerde uitgaven.

Het risico dat er achteraf uitgaven worden betwist betreft alle Europese financiering die Zuid-Holland in de vorige periode (2007-2013) en de huidige periode (2013-2023) heeft ontvangen voor Kansen voor West, Interreg en het Zevende Kaderprogramma. Het betreft een bedrag van € 14,8 mln.

Maatregelen

  • Bewaking van de subsidiabiliteit van uitgaven door goede projectvoorbereiding en -selectie.

  • Voortdurende bewaking van de procedures voor het indienen van tussentijdse declaraties.

  • Zorgdragen voor een goede archivering van al afgerekende projecten naar de maatstaven van de Europese Commissie.

Status

In de periode 2007 tot en met 2013 zijn 10 projecten van de provincie uitgevoerd. Voor de nu lopende periode (2014-2020) is 1 project in uitvoering. Het steunpunt subsidies van de provincie bewaakt op actieve wijze dat voldaan wordt aan de eisen van de Europese Unie.

11.

Niet tot uitvoering komen grote infrastructurele projecten (PZI)

Omschrijving

De voorbereidingskosten van deze projecten worden voor het bedrag van de investering geactiveerd en in vijf jaar afgeschreven. Dit op basis van het Besluit Begroten en Verantwoorden provincies en gemeenten (BBV, art. 62). Indien projecten onverhoopt niet worden gerealiseerd, dienen de gemaakte voorbereidingskosten te worden afgewaardeerd en komen dan in één keer ten laste van de exploitatie.

Impact

De vele partijen, de vaak uiteenlopende belangen, de grote mate van complexiteit, de forse investeringen, maar ook de regelgeving op het gebied van onder andere luchtkwaliteit, geven een mate van onzekerheid aan deze grote projecten. Bij het door PS te nemen uitvoeringsbesluit kan het besluit zijn het project niet te gaan realiseren. De reeds gerealiseerde voorbereidingskosten kunnen vele miljoenen bedragen. De boekwaarde en de onderhanden werkpositie van deze voorbereidingskosten bedraagt ultimo 2015 € 9,5 mln.

Maatregelen

Door met de provincie en alle betrokken partijen bestuursovereenkomsten aan te gaan waarbij ook afspraken gemaakt worden over de gang van zaken bij ernstige vertragingen of het niet realiseren van het project, worden zekerheden verkregen. Als het risico zich voordoet zal het worden opgevangen binnen de reserves met betrekking tot infrastructuur.

Status

Is een doorlopend risico, omdat zich jaarlijks projecten in de plan- en voorbereidingsfase bevinden.

12.

Renterisico

Omschrijving

De provincie trekt langlopende leningen aan om in de eigen financieringsbehoefte te voorzien. De financieringsbehoefte zal de komende jaren naar verwachting toenemen door de afloop van bestaande leningen, de omvang van voorgenomen investeringen en de afname van eigen financieringsmiddelen (door de geraamde benutting van reserves en voorzieningen). De jaarlijkse kosten van de financieringsbehoefte (rentelasten) worden bepaald door de omvang van de bestaande leningenportefeuille, de financieringsbehoefte als gevolg van voorgenomen investeringen en de van toepassing zijnde rentetarieven.

Impact

In 2016 waren voldoende liquiditeiten beschikbaar zodat het niet nodig was om op de kapitaalmarkt leningen aan te trekken. Doordat er op de middellange termijn een grote financieringsbehoefte is en doordat door onderuitputting de behoefte om te lenen steeds verder in de tijd verschuift, zal het renterisico voor de provincie Zuid-Holland stijgen.

Maatregelen

Via het zogeheten renteomslagpercentage worden de rentelasten toegerekend aan de programma's waarvoor sprake is van een financieringsbehoefte. Het renteomslagpercentage wordt berekend op basis van de uitgangspunten van de door Provinciale Staten vastgestelde beleidsnota kostprijs- en renteberekening. Bij de berekening van de toekomstige rentelasten in de meerjarenbegroting wordt uitgegaan van een behoedzame benadering. Verder wordt de financieringsbehoefte periodiek meerjarig bepaald en wordt beoordeeld of incidenteel dan wel structureel tot afdekking van het renterisico dient te worden overgegaan.

Status

Zie omschrijving.

13.

Omgevingsrisico's vergunningverlening en handhaving

Omschrijving

Vergunningverlening en handhaving kennen altijd omgevingsrisico's. Het is een politiek gevoelig beleidsveld. De betrokkenheid van burgers en externe partijen en daarmee de beïnvloeding van externen bij de uitvoering van de werkzaamheden is groot. In het kader van de besluitvorming lopen de omgevingsdiensten dan wel de provincie dan ook altijd juridische risico's. Tegen menig besluit wordt bezwaar dan wel beroep aangetekend. Verder kunnen claims als gevolg van economische, milieu- of gezondheidsschade leiden tot extra kosten voor de provincie. Daarnaast kunnen kosten ontstaan als gevolg van handhavingsbesluiten als bestuursdwang. Het nemen van bestuurlijk gecalculeerde risico's is een onderdeel van het vergunningverlenings- en toezicht- en handhavingsbeleid. De omgevingsdiensten voeren dit beleid uit namens de provincie.

Impact

Het terugbetalen van eventuele proceskosten, evenals schadeclaims alsmede onvoorziene kosten als gevolg van handhavingsbesluiten, is een financieel risico. De kosten voor bestuursdwang kunnen in principe verhaald worden op het bedrijf, het risico bestaat dat dit niet (meer) mogelijk is. Er wordt uitgegaan van maximaal € 5 mln op jaarbasis.

Maatregelen

De vergunningverlening, toezicht en handhaving is ondergebracht bij de omgevingsdiensten. De provincie ziet erop toe dat de omgevingsdiensten de provinciale beleidskaders (Nota VTH 2014-2017) uitvoeren en voldoen aan de vigerende kwaliteitscriteria.

Status

Het betreft hier een doorlopend risico. In 2016 hebben zich geen extra kosten voorgedaan als gevolg van claims. In deze paragraaf wordt het risico met betrekking tot de Derde Merwedehaven separaat toegelicht.

14.

Derde Merwedehaven

Omschrijving

In februari 2011 heeft de provincie een grotere hoeveelheid gestort asbesthoudend materiaal in de Derde Merwedehaven gerapporteerd (ten opzichte van februari 2010). Naar aanleiding van aangifte door de Stichting Derde Merwedehaven is een strafrechtelijk onderzoek gestart. De uitkomst is inmiddels bekend: Zuid-Holland en anderen zullen strafrechtelijk niet vervolgd worden. Er zouden in principe aansprakelijkheidsprocedures kunnen volgen, de kans daarop wordt echter nihil geacht. Dit ook gezien het feit dat in 2011 is besloten dat er geen vervolging plaatsvindt en er daarna verder ook geen aansprakelijkheidszaken zijn geweest.

Impact

Eventuele aansprakelijkheidsclaims kunnen financiële gevolgen hebben (de kans van optreden van deze claims wordt, gezien het feit dat de provincie of haar bestuurders en/of medewerkers niet als verdachte betrokken zijn, beperkt geacht).

Maatregelen

Als resultaat van bestuurlijk overleg worden de volgende acties uitgevoerd:

  • er wordt structureel/intensief ingezet op communicatie met de omgeving;

  • de stortactiviteiten zijn per 31 december 2012 beëindigd. De afvalberging wordt tot 2023 afgebouwd tot recreatieterrein en watergebonden bedrijventerrein.

Status

In 2023 wordt de stortplaats overgedragen aan de provincie. Dertig jaar nadat de verontreiniging is veroorzaakt, verjaart de aansprakelijkheidstermijn.

15.

Maatregelen Rijk in verband met EMU-tekort

Omschrijving

Op grond van de wet houdbare overheidsfinanciën (HOF) moeten decentrale overheden een gelijkwaardige inspanning leveren aan de beheersing van het EMU-saldo. Dit saldo is het totaal van alle inkomsten minus alle uitgaven van het Rijk, sociale fondsen en decentrale overheden tezamen.

Lidstaten binnen de Europese Monetaire Unie (EMU) hebben afspraken gemaakt over de maximale omvang van dit tekort (uitgedrukt als een percentage van het bruto binnenlands product).

Over het maximale aandeel van decentrale overheden in het EMU-tekort, maken Rijk en decentrale overheden (conform de wet HOF) periodiek afspraken.

In de wet HOF is vastgelegd dat het Rijk maatregelen kan treffen als decentrale overheden hun maximale aandeel in het tekort overschrijden en er meerjarig geen zicht is op verbetering (ook als de Nederlandse overheid als geheel wel voldoet aan de Europese regels).

Maatregelen kunnen betrekking hebben op de fasering van investeringen of (als ultimum remedium) een korting op de algemene uitkering van het Gemeente- en/of Provinciefonds.

Impact

In het uiterste geval kan het Rijk een korting opleggen op de algemene uitkering van het Gemeente- en/of Provinciefonds. Op basis van de huidige begroting gaat het om een bedrag van circa € 100 mln.

Het Rijk is voornemens om met ingang van 2017 middelen voor verkeer & vervoer en natuur aan de algemene uitkering toe te voegen. Hierdoor zal de omvang van de algemene uitkering voor de provincie Zuid-Holland toenemen naar ongeveer € 220 mln.

In 2016 mogen decentrale overheden tezamen een EMU-tekort hebben van 0,4% van het BBP, in 2017 is dat 0,3% BBP. Een daling van de norm kan knellend werken.

Desondanks is de kans op financiële schade voor de provincie zeer beperkt:

  • gedurende de huidige kabinetsperiode (t/m 2017) worden er geen sancties opgelegd door het Rijk;

  • door de aantrekkende economie verbetert het EMU-saldo van het Rijk zich in rap tempo; het opleggen van sancties door het Rijk is daarmee in formele zin niet uitgesloten maar wel een stuk minder reëel;

  • bij de behandeling van de wet HOF in de Tweede Kamer is een motie aangenomen met als strekking dat de wet niet ten koste mag gaan van investeringen door decentrale overheden.

Maatregelen

Met de betrokken koepels (VNG, UvW, IPO) wordt samen opgetrokken om het belang richting Rijk goed voor het voetlicht te krijgen, namelijk: handhaving mag niet ten koste gaan van investeringen door decentrale overheden.

Status

Op grond van de wet HOF kan het maximale aandeel van decentrale overheden in het EMU-saldo worden verdeeld naar provincies, gemeenten en waterschappen. Rijk en decentrale overheden hebben afgesproken om dat voor 2016 niet te doen. Het EMU-saldo van Zuid-Holland was in 2016 positief.

16.

Risico's PMR - 750 ha natuur en recreatie

Omschrijving

De uitvoeringskosten uitwerkingsovereenkomst PMR: risico's doen zich voor bij de ontwikkelingen van de grondprijzen. Op dit vlak zijn er de algemene ontwikkelingen van de prijzen, daarnaast zijn ook de onderhandelingen tussen verkopende en kopende partij van invloed op de prijs. Een ander risico is de doorlooptijd van het project: op het moment dat het oprichten van de Gebiedscoöperatie vertraagt, zullen de projectmanagementkosten hoger worden als gevolg van deze langere doorlooptijd.

Impact

De impact van dit risico hangt af van de mate waarin zich onvoorziene omstandigheden voordoen. Op basis van een inschatting van de financiële risico's wordt de omvang van de post onvoorzien periodiek bijgesteld.

Maatregelen

De provincie voert het PMR-project 'Buijtenland van Rhoon' voor eigen rekening en risico uit. Hiervoor is een taakstellend budget beschikbaar. De financiering van het project is gedekt door de gezamenlijke PMR-partners en vastgelegd in de UWO PMR 750 ha. De bijdrage van Zuid-Holland bedraagt € 9 mln, de stadsregio Rotterdam draagt € 18 mln bij en het Rijk € 112 mln. In geval van onvoorziene omstandigheden (zoals excessieve grondprijsstijgingen) kan de provincie in overleg treden met het Rijk (op grond van art. 12 van de UWO). Om de financiële risico's goed te beheersen wordt risicomanagement toegepast. Met behulp van een (financiële) businesscase is inzichtelijk gemaakt wat mogelijke meerkosten zouden kunnen zijn als deze risico's zich voordoen. De verwachtingswaarde van mogelijke meerkosten, volgend uit het financieel risicoprofiel, vormt de onderbouwing van deze post in de businesscase van het project (over de gehele looptijd tot en met 2021). De totale omvang van het risico bedraagt € 15,3 mln. Mocht de verwachtingswaarde stijgen dan zal de omvang van het risico daarop worden aangepast. Mocht uit nieuwe ontwikkelingen blijken dat het taakstellend budget overschreden wordt, dan dienen er beheersmaatregelen getroffen te worden (zoals besparen op andere kostenposten of zoeken van andere geldbronnen).

Status

Het project zit in de uitvoeringsfase en loopt tot en met 2021.

Eind 2013 is een motie door de Tweede Kamer aangenomen met als doel te zoeken naar meer draagvlak voor de plannen. Met instemming van het Rijk (staatssecretaris Dijksma) heeft oud-minister Cees Veerman in juni 2014 geadviseerd het plan inhoudelijk bij te stellen (minder natte natuur). De (ruimtelijke) kaders (PKB, BP) en hoofddoelen blijven intact. Ook stelt hij voor een (nog in te stellen) gebiedscoöperatie het plan te laten uitvoeren. Zijn advies heeft breed draagvlak bij de betrokken overheden (inclusief gemeente). In de tweede helft van 2015 is de commissie aan de slag gegaan om de gebiedscoöperatie vorm te geven. Deze nieuwe aanpak voor het Buijtenland van Rhoon heeft aanzienlijk meer tijd gekost dan was voorzien en bevat veel risico's. De risico's zijn in beeld en hebben de juiste beheersmaatregelen. De kwartiermakers zijn bezig met gesprekken met stakeholders om tot een advies te komen voor een gebiedscoöperatie. Het tempo voor het realiseren van de gebiedscoöperatie wordt in hoge mate bepaald door de medewerking van enkele belangrijke stakeholders. De tijdscope komt daarmee in gevaar (2021). ln de brief van de staatssecretaris is hiervoor een escape geformuleerd. De staatssecretaris heeft hierin gevraagd naar een uitgewerkt voorstel voor een gebiedscoöperatie inclusief een actualisering van de projectplanning. Ons advies 'Kansen pakken in het Buytenland van Rhoon' van 23 mei 2016 presenteert de doelstellingen, uitgangspunten en condities voor de oprichting van een gebiedscoöperatie van waaruit de inrichting van het gebied wordt georganiseerd.

17.

Deelnamerisico ROM-D Capital BV

Omschrijving

De provincie neemt met € 10 mln deel in ROM-D Capital BV, het publiek investeringsfonds van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Drechtsteden. Besluitvorming hierover is in 2012 afgerond. De daadwerkelijke storting van dit bedrag is eind december 2012 gebeurd. Door deze kapitaalinbreng heeft de provincie aandelen in ROM-D Capital verworven. Het financiële risico voor de provincie is gelegen in waardevermindering van de aandelen. ROM-D Capital BV heeft (op termijn) een revolverend karakter. Dit houdt in dat het initiële vermogen ten minste in stand dient te blijven. Er worden alleen projecten gefinancierd waarvan op basis van een businesscase kan worden aangetoond dat deze op termijn winst of meerwaarde genereren. Om continuïteit te waarborgen en het weerstandsvermogen te versterken wordt op de lange termijn een gematigd (gemiddeld) rendement op de projecten nagestreefd van 3%. Gerealiseerde rendementen blijven binnen de vennootschap beschikbaar. Kerntaak van de ROM-D is het ontwikkelen en herstructureren van bedrijventerreinen. De andere deelnemers in ROM-D Capital BV zijn naast de provincie de Gemeenschappelijke Regeling Drechtsteden en de gemeente Dordrecht.

Impact

ROM-D Capital BV stelt werkkapitaal beschikbaar aan werkmaatschappijen (de CV's). ROM-D Capital BV zal in het algemeen geen (extra) zekerheidstelling vragen en accepteert daarmee een hoger risicoprofiel dan private marktpartijen. Binnen de projectportefeuille wordt het vereveningsprincipe gehanteerd: winsten en verliezen op de projecten worden gesaldeerd. Het maximale risico voor de provincie is dat de aan een of meer CV's door ROM-D Capital beschikbaar gestelde gelden (deels) verloren gaan. Het maximale risico is gelijk aan het gestorte aandelenkapitaal in ROM-D Capital BV (€ 8,2 mln). Dit is de waarde van het gestorte aandelenkapitaal (€ 10 mln) minus de getroffen voorziening (€ 1,8 mln).

Maatregelen

Tot de beheersmaatregelen die zijn getroffen om de risico's zoveel mogelijk te beperken, behoort onder andere het in Drechtstedenverband vastgelegde uitgangspunt dat projecten budgettair neutraal overgaan van de betreffende gemeente naar ROM-D. Het risico voor ROM-D is dus in beginsel beperkt. Voor een aantal van deze projecten zal aan ROM-D Capital BV worden gevraagd om een bijdrage in het werkkapitaal. Dan bepaalt de provincie als aandeelhouder in ROM-D Capital BV mee waarvoor de middelen zullen worden ingezet.

De aandeelhouders besluiten naar aanleiding van een advies van een onafhankelijk Investment-committee, dat weer adviseert op basis van een sluitende businesscase.

Verder wordt de financiële stand van zaken periodiek beoordeeld op basis van de jaarrekening van de ROM-D (deze wordt vastgesteld door de aandeelhouders van de ROM-D, waaronder ook Zuid-Holland). Om het risico van waardedaling van de aandelen af te dekken is een reserve voor waarderingsverschillen gevormd. Bij de Jaarrekening 2015 is besloten om de risicoreserve van € 1,1 mln te onttrekken en deze te storten in een voorziening voor de ROM-D.

Status

In het accountantsverslag 2014 is voor 2014 evenals voor 2013 een negatieve waardeontwikkeling geconstateerd van de aandelen. Oorzaak van de waardedaling is de afwaardering van de grondwaarde. Gebleken is dat de uitgifte van terreinen, tegen de gevraagde prijs, onvoldoende verloopt. Bij een vertraagde uitgifte nemen de rentekosten toe ten opzichte van de raming terwijl de bedrijfsvoeringskosten relatief hoog zijn. Dit brengt met zich mee dat de waarde van de provinciale deelnemingen in de ROM-D in 2014 (verder) in waarde zijn gedaald. Als gevolg hiervan is bij de Jaarrekening 2015 van de provincie een voorziening gevormd tot een bedrag van € 1,8 mln waarbij € 1,1 mln uit de risicoreserve ROM-D is gedoteerd.

De Jaarrekening 2015 is met een voordelig saldo van € 37.000 gesloten. Er is op dit moment geen Jaarrekening 2016 van ROM-D Capital BV beschikbaar. De derde kwartaalrapportage 2016 van de ROM-D laat een positief resultaat van € 0,7 mln zien.

Bij diverse aandeelhouders van de ROM-D leeft de wens om de inzet van de ROM-D te herijken. Hierover worden gesprekken gevoerd. Ten behoeve van deze gesprekken heeft de provincie het voornemen om, bij voorkeur samen met overige aandeelhouders, dit risico en de waarde alsmede de structurele waardeontwikkeling te laten analyseren.

18.

Deelnamerisico InnovationQuarter

Omschrijving

De provincie neemt, samen met het ministerie van Economische Zaken, de gemeenten Rotterdam, Den Haag (o.a. via Stichting HEID), Delft, Leiden, Westland en de Zuid-Hollandse universiteiten en medische centra deel in InnovationQuarter. De organisatie bestaat uit twee entiteiten: de ROM InnovationQuarter B.V. en de Participatiemaatschappij InnovationQuarter B.V. De Participatiemaatschappij InnovationQuarter B.V. is een 100% dochter van de ROM InnovationQuarter B.V. Het kapitaal dat door de aandeelhouders in de ROM InnovationQuarter B.V. is gestort, wordt volledig aangewend voor het (revolverende) participatiefonds.

De provincie heeft de storting in de eerste fase van € 10 mln in december 2013 verricht. In de tweede fase is een storting voorzien van € 15 mln (in 2017). De provincie verkrijgt door haar kapitaalinbreng aandelen in de ROM InnovationQuarter B.V. Voorwaarde voor deelneming in de ROM B.V. is dat de provincie nooit meer kosten zal maken dan de investering groot is. Om dit te beheersen zal de provincie conform staand beleid geen meerderheid van de aandelen bezitten (maximaal 49,99%). Het huidige geplaatste kapitaal van de ROM B.V. bedraagt € 30,2 mln. Daarvan is de provincie voor 33,11% aandeelhouder (€ 10 mln). Waardevermindering van de aandelen is een risico voor de provincie (huidige waarde van de PZH aandelen op basis van de Jaarrekening IQ 2016 is € 8,68 mln).

Impact

Het maximale risico is € 6,17 mln per 2020.

Maatregelen

In de beginfase zullen de kosten van de Participatiemaatschappij InnovationQuarter B.V. niet gedekt kunnen worden door de opbrengsten, omdat in deze opbouwperiode rendement uit investeringen nog beperkt zal zijn. Het uitgangspunt is dat het fonds in meerjarig perspectief revolverend moet zijn. Daarbij is in de aandeelhoudersinstructie (die doorwerkt via de Statuten) een termijn van 7 jaar afgesproken (2020) met een tussentijdse evaluatie in 2016.

De aandeelhouders van InnovationQuarter hebben als eis gesteld dat de Participatiemaatschappij van InnovationQuarter in meerjarig perspectief de koopkracht van het vermogen in stand moet houden. Dat betekent concreet dat over een meerjarenperspectief het rendement zodanig moet zijn dat, na aftrek van apparaatskosten van de Participatiemaatschappij, (tenminste) de inflatie 'verdiend' moet zijn. Daarmee zal de waarde van de aandelen ook in stand worden gehouden. Dit is in de praktijk een ambitieuze doelstelling. Door professioneel fonds- en investeringsmanagement zullen de risico's zo goed als mogelijk worden ingezet en worden beheerst. Ook bevat de aandeelhoudersinstructie een bepaling dat een deel van het kapitaal in het participatiefonds buiten de primaire doelgroep geïnvesteerd mag worden, bijvoorbeeld om MBO / MBI's (Management Buy Outs / Ins) te financieren. Deze investeringen hebben een lager risicoprofiel en daarmee meer zekerheid op rendement.

In principe worden de investeringen in de jaarrekening (en periodieke rapportages) van InnovationQuarter gewaardeerd tegen verkrijgingsprijs. Daarnaast wordt periodiek beoordeeld door InnovationQuarter of er aanwijzingen zijn dat een investering aan een bijzondere waardevermindering onderhevig kan zijn. Indien dergelijke indicaties aanwezig zijn, wordt een voorziening vastgesteld. De voorziening wordt bepaald op basis van de International Private Equity and Venture Capital Investor Reporting Guidelines (IPEV). De kosten van de voorziening wordt direct als een last verwerkt in de winst- en verliesrekening.

Overigens heeft de waardering tegen verkrijgingsprijs (of lagere waarde) tot gevolg dat ongerealiseerde waardestijgingen niet in de cijfers tot uitdrukking komt. De ambitie van InnovationQuarter is dat in de toekomst in de jaarrekening informatie wordt opgenomen van de ongerealiseerde waardestijgingen omdat het uiteindelijk rendement pas zichtbaar is na een periode van 7 à 8 jaar vanaf het moment deelname.

Uit het rapport pag.98/99 'Evaluatie van de ROM's' van mei 2016 van Ecorys in opdracht van het ministerie Economische Zaken blijkt dat de aandeelhouderinstructie er toe leidt dat de ROM's strikt zijn in risicobeheersing. Mede ook omdat gevraagd wordt om het fonds een revolverend karakter te geven. Oftewel het fonds dient op totaalniveau zijn waarde te behouden. Het beheren van de risico's in de portefeuille is daarmee een belangrijk aspect van de werkzaamheden bij de ROM's. Ten eerste wordt er serieus beoordeeld of een potentiële participatie rendement kan opleveren. Daarnaast wordt er naar gestreefd om zoveel mogelijk andere (private) partijen te vinden die mee willen investeren in een onderneming. Hiermee wordt het risico verkleind. Ook vindt er om deze reden actief beheer plaats zodat tijdig ingegrepen kan worden als dat nodig is. Op totaalniveau wordt er tot slot naar gestreefd om een evenwichtige portefeuilleopbouw te hebben over meerdere segmenten en verschillende fasen zodat het totaal van de portefeuille minder afhankelijk is van incidentele risico's. Met bovenstaande zal door InnovationQuarter periodiek inzicht worden gegeven in de waardeontwikkeling van de investeringen van InnovationQuarter en daarmee ook de waarde van de aandelen van InnovationQuarter zelf.

Om het risico van waardedaling van de aandelen af te dekken heeft de provincie een reserve voor waarderingsverschillen gevormd.

Status

Om te bepalen wat het risico van deze investering is, is in 2016 een risicoanalyse uitgevoerd door Deloitte. Er is een model voor risicoanalyse voor IQ ontwikkeld. Dit model is ontwikkeld n.a.v. de rapportage risicoanalyse IQ door Deloitte. Dit betreft de methodiek die we zullen toepassen ter onderbouwing van hoe hoog de risicoreserve zou moeten zijn ter dekking van de risico's van het gestort kapitaal in het participatiefonds van IQ. Op basis van deze methodiek is de opgebouwde reserve van € 4,7 mln t/m 2018 voldoende om de ingeschatte risico's voor de PZH ten aanzien van huidige ingebrachte kapitaal in het participatiefonds IQ te dekken. Aan de hand van deze methodiek wordt jaarlijks bezien of eventuele aanvulling van de reserve noodzakelijk wordt geacht. Op basis van de realisatiecijfers van IQ en de meerjarige prognose worden de risico inschatting jaarlijks bijgesteld. Op basis van de risicoanalyse 2016 kan de beoogde storting in de reserve Innovation Quarter van € 1,3 mln achterwege blijven.

19.

Geen aflossing gegarandeerde leningen derden

Omschrijving

De provincie Zuid-Holland staat in een aantal gevallen garant voor de rente en aflossing van door derden afgesloten geldleningen. Het betreft garantstellingen op het terrein van de gezondheidszorg en verplichtingen bij het Groenfonds. Er is sprake van een geleidelijke afbouw van de portefeuille gewaarborgde geldleningen vanwege de aflossing van de geldleningen en vanwege tussentijdse conversies van leningen waarbij de provinciale borgstelling komt te vervallen.

Impact

De te lopen maximale schade bedraagt eind 2016 € 7,1 mln. Voor een groot deel van dit bedrag zijn hypothecaire zekerheden bedongen die kunnen worden uitgewonnen indien de provincie als borg wordt aangesproken. De kans van optreden van dit risico wordt dan ook laag ingeschat.

Maatregelen

Er worden geen nieuwe garanties meer verstrekt aan zorginstellingen. 100% van door de provincie gewaarborgde zorginstellingen is aangesloten bij het Waarborgfonds voor de zorgsector.

Status

De komende jaren worden de garantstellingen verder afgebouwd. Naar verwachting zijn alle garanties op terrein van de gezondheidszorg in 2024 volledig afgebouwd.

20.

Herinrichting Meeslouwerplas

Omschrijving

Op 26 augustus 2009 is de 'Basisovereenkomst' tussen BAM Wegen regio west B.V. en de provincie Zuid-Holland ondertekend. De basisovereenkomst heeft betrekking op de volgende zes projecten, samen 'het Werk' genoemd en in het vervolg als project Meeslouwerplas aangeduid:

  • Het verondiepen van de Meeslouwerplas (c.q. het herstel van de instabiele oevers);

  • Het herinrichten van de oevers;

  • Het realiseren van het krekengebied;

  • Het verduurzamen van de eilanden tussen Meeslouwerplas en de recreatieplas;

  • Het realiseren van twee geluidwerende voorzieningen;

  • Bouw nieuwe brug ter vervanging van de Bailey-brug.

De ondertekening van de basisovereenkomst in augustus 2009 vormde de officiële start voor de uitvoeringsfase. Voor de doorlooptijd van het project wordt uitgegaan van tien jaar. De belangrijkste risico's van het project herinrichting Meeslouwerplas zijn:

  • Het project levert niet genoeg geld op;

  • Er komt binnen de termijn van tien jaar onvoldoende kwalitatief goede grond beschikbaar;

  • BAM stopt met de uitvoering van het project;

  • Het verondiepingswerk loopt vertraging op als gevolg van minder aanbod van bagger en grond.

Impact

Indien deze risico's werkelijkheid worden kan dat de volgende consequenties hebben:

In de worst-case situatie wordt de voorinvestering van de provincie in de ophaalbrug en de compensatie van Recreatiecentrum Vlietlanden van in totaal € 1,8 mln niet terugverdiend en moet de provincie met andere maatregelen de oeverveiligheid realiseren;

Daarnaast is het mogelijk dat het project niet de afgesproken financiële opbrengst voor provincie Zuid-Holland oplevert (€ 2,6 mln + indexering) waardoor geen verdere investeringen in de recreatieve en ecologische kwaliteit van het gebied kunnen worden gedaan.

Maatregelen

In het kader van de basisovereenkomst met de BAM is de BAM aangesproken op het nakomen van gemaakte afspraken. Dit moet leiden tot herbevestiging van deze afspraken, inclusief planning en provinciale opbrengsten van het verondiepingsproject. Totdat hierover duidelijkheid is, doet de provincie geen verdere investeringen in het project.

21.

Indexatiekloof Openbaar Vervoer

Omschrijving

De provincie is opdrachtgever voor Openbaar Vervoer (OV) in Zuid-Holland. De indexatie van de inkomsten en uitgaven voor OV is niet gelijk aan elkaar. De indexatie van de inkomsten vanuit de rijksoverheid ligt structureel lager dan de indexatie van de uitgaven voor de concessies. De concessies worden namelijk op basis van landelijke afspraken geïndexeerd met de Landelijke Bijdrage Index (LBI).

De rijksbijdrage waarmee de OV-concessies worden gedekt zal waarschijnlijk met ingang van 2017 deel uit gaan maken van de algemene uitkering van het Provinciefonds. De algemene uitkering kent geen specifiek indexeringsregime, maar beweegt generiek (via het zogenaamde accres) mee met de ontwikkeling van de (netto gecorrigeerde) rijksuitgaven ('trap op, trap af'). De ontwikkeling van het accres is de afgelopen jaren zeer onzeker gebleken.

Bovendien is in het Hoofdlijnenakkoord afgesproken dat budgetten in beginsel niet voor prijsontwikkelingen worden gecompenseerd (deze ontwikkelingen moeten dus binnen betreffend programma / doel worden opgevangen). Als de inflatie (substantieel) hoger is dan eerder voorzien, dient dit binnen het accres van het Provinciefonds te worden opgevangen. In alle andere gevallen zal worden overgegaan tot een integrale afweging binnen het financiële kader van de begroting.

Impact

Vanaf 2013 is er sprake van een indexatiekloof die structureel is. Bij alle Zuid-Hollandse concessies en contracten in het kader van openbaar vervoer is afgesproken te indexeren, waarbij de recenter verleende concessies worden geïndexeerd conform de LBI. Gezien de huidige lage inflatie wordt er bij de kwantificering van dit risico voor 2017 uitgegaan van een indexatiekloof van 1%.

Maatregelen

De ontwikkeling van de toekomstige indexatiekloof is niet te voorspellen. Denkbare maatregelen die getroffen kunnen worden (al dan niet in combinatie met elkaar) zijn: aanvullende dekking organiseren, lopende en toekomstige contracten bijstellen en het voorzieningenniveau aanpassen.

Status

Afhankelijk van het toekomstig indexering-verschil kan het structurele tekort nog een aantal jaren incidenteel gedekt worden vanuit aanwezige middelen in de reserve mobiliteit.

22.

Inlenersaansprakelijkheidsrisico

Omschrijving

De inlenersaansprakelijkheid is gebaseerd op art. 34 van de Invorderingswet. Deze houdt in dat in sommige gevallen de inlener van personeel aansprakelijk kan zijn voor de loon- en omzetbelasting die door de uitlener (bijvoorbeeld een uitzendbureau) niet is afgedragen. Mocht bijvoorbeeld in geval van een faillissement het uitleenbedrijf nog een schuld hebben aan de Belastingdienst, dan kan de fiscus dat bedrag verhalen op bedrijven of instellingen waar het uitgeleend personeel heeft gewerkt.

Impact

In de Aanbestedingswet 2012 is een beperking opgenomen voor eisen aangaande financiële zekerheid. Door deze beperking kan sprake zijn van een licht verhoogd risico ten opzichte van eerdere omstandigheden. Tot op heden zijn bij de provincie geen claims opgelegd met betrekking tot de inlenersaansprakelijkheid.

Met ingang van 1 juli 2015 en ingaande 2016 is de nieuwe wet Aanpak schijnconstructies van toepassing. Deze wet regelt dat een werknemer, indien hij niet betaald wordt volgens de wet, verhaal kan halen hogerop in de keten. Dit kan bij grotere bouwprojecten ook gevolgen hebben voor provincie Zuid-Holland.

De leveranciers waar provincie Zuid-Holland mee werkt, worden regelmatig gescreend, maar niet elke branche kent een certificeringssysteem. Daarnaast moet een ieder zich aan de wet houden. Een restrisico blijft echter altijd aanwezig, omdat onze leveranciers / aannemers weer met onderleveranciers / aannemers werken. Daarnaast zijn er zeer veel losse arbeidsverbanden die ook nog inhoudelijk sterk kunnen verschillen. In eerste instantie ligt het risico bij onze leverancier maar als deze om diverse redenen failleert, bestaat er een risico voor de provincie. Voor de bepaling van het risico wordt uitgegaan van een maximale schade van 1% van de totale inleen per jaar (1% van € 25 mln is € 0,25 mln) en een zeer lage kans van optreden van 0-25%.

Maatregelen

De aansprakelijkheid is niet voor 100% af te dekken. Wel worden de volgende maatregelen genomen om het risico te beheersen:

  • Werken met erkende en/of gecertificeerde bedrijven;

  • Sluiten van goede raamcontracten waarbij bijvoorbeeld ook gekeken wordt naar de liquiditeitspositie van betreffende ondernemingen;

  • Hanteren van uitsluitend de provinciale inkoopvoorwaarden;

  • Tools voor screening van bedrijven.

Vooralsnog wordt er geen depotstelsel ingevoerd als maatregel om het risico te beheersen. Redenen hiervoor zijn de forse administratieve lasten van deze maatregel in relatie tot het te verwachten effect van de hierboven genoemde maatregelen.

Status

Er zijn in het afgelopen jaar geen claims ontvangen met betrekking tot inlenersaansprakelijkheid.

23.

Doorlevering gronden aan TBO's

Omschrijving

De Vereniging Gelijkberechtiging Grondbezitters (VGG) heeft een klacht ingediend bij de Europese Commissie met als strekking dat de subsidies die eerder zijn verstrekt in het kader van de grondverwerving door terreinbeherende organisaties (de landelijke subsidieregeling PNB en voorgangers en zijn provinciale tegenhangers) in strijd zou zijn met de EU-regelgeving inzake staatssteun. Voor Zuid-Holland gaat het om subsidies die verstrekt zijn aan het Zuid-Hollands Landschap en Natuurmonumenten. Verder heeft de VGG een brief gestuurd aan de provincie waarin deze wordt gesommeerd tot terugvordering van rente over staatssteun, die zou zijn verleend door de provincie aan terreinbeherende organisaties (TBO's). De financiële omvang hiervan is momenteel nog onbekend.

Impact

Als de Europese Commissie oordeelt dat sprake is van onverenigbare staatssteun, dan zal geëist worden dat het Rijk (naar nationaal recht) een bedrag terugvordert dat kan variëren van circa € 0,2 mld (bij geoorloofde staatssteun) tot € 1,2 mld (bij ongeoorloofde staatssteun). Het Rijk zal deze vordering mogelijk deels neerleggen bij de provincies (als uitvoerders van de provinciale regelingen en sinds 2007 ook van de PNB-regeling). Het is niet bekend hoe de vordering verdeeld zal worden over de provincies. Ten tijde van het ILG was Z-H goed voor 1/6 van het landelijke budget. Rijk en de provincies kunnen het 'steunbedrag' vorderen bij de TBO's, maar de realiteit gebiedt dat dit het einde betekent van het natuurbeheer in Nederland. Als de provincies deze rekening betalen betekent dat het directe einde van de NNN-opgave.

Dit zal dus grote financiële maar ook beleidsmatige consequenties hebben voor de continuïteit en kwaliteit van de taakuitoefening op het gebied van natuurbeheer.

Maatregelen

Conform de vastgestelde Nota Beheer EHS (2013) verkoopt de provincie Zuid-Holland thans natuurgronden tegen een marktconforme prijs, voor zover de provincie deze zelf in eigendom heeft of krijgt. Anders gebeurt de verwerving direct door de terreinbeheerder zelf, met een latere subsidie voor afwaardering op basis van een door de Europese Commissie goedgekeurde subsidieregeling. In beide gevallen wordt voor toekomstige situaties voldaan aan de EU-richtlijnen inzake staatssteun. Voor het vorderingsrisico voortkomend uit de vroegere praktijk van het ILG is geen beheersmaatregel mogelijk, anders dan het stilleggen van het NNN-programma. Dit geldt ook voor de sommatie van de VGG op het terugvorderen van rente over een bedrag van maximaal € 200 mln (1/6 van €1,2 mld).

Status

De Europese Commissie is een onderzoek gestart. Het ministerie van Economische Zaken is verantwoordelijk voor de landelijke reactie naar de EC. Naar aanleiding van de behandeling van de klacht heeft het Interprovinciaal Overleg (IPO) samen met de beheerders nieuw beleid ontwikkeld dat regelt dat de provincie alle gronden binnen NNN middels een openbare procedure verkoopt tegen natuurwaarde op basis van de getaxeerde waarde. In bepaalde gevallen zijn uitzonderingen mogelijk. Het nieuwe beleid betekent dat eenieder conform de wens van de vereniging nu voor eigendom en beheer van de restantopgave van NNN in aanmerking komt. Inmiddels heeft de provincie de VGG een brief gestuurd waarin het door PS vastgestelde beleid (de Beheer nota EHS) van de provincie is uiteengezet. De Vereniging heeft ingestemd met het beleid van de provincie Zuid-Holland. Bij twijfelgevallen wordt de provinciale gesprekspartner Hollands Particulier Grondbezit (HPG) betrokken. Vanwege het geringe risico is de verwachting dat dit risico niet in de Begroting 2017 wordt opgenomen.

24.

Meerkosten als gevolg van onverwachte incidenten in het areaal

Omschrijving

Derden kunnen schade aan ons areaal toebrengen, bijvoorbeeld door aanvaringen, waarvan de kosten voor het herstel door wettelijke beperkingen niet volledig op de veroorzaker kunnen worden verhaald. Daarnaast kan het provinciale areaal bezwijken, bijvoorbeeld oevers, waardoor schade aan eigendommen van derden ontstaat. Ook kan door (natuur)rampen schade aan provinciaal areaal ontstaan.

Impact

Of in het reguliere onderhoudsbudget financiële ruimte beschikbaar is voor het herstel van de schade aan het provinciale areaal wordt onder andere bepaald door de tijd die verstreken is sinds het laatste groot onderhoud. De eventuele gevolgschade aan eigendommen van derden is niet verzekerd en maakt geen onderdeel uit van het reguliere onderhoudsbudget.

Maatregelen

Het tijdig uitvoeren van beheer- en onderhoud, waaronder inspecties, heeft tot doel de kans op het technisch falen van de infrastructuur te beperken. Door op risicovolle plaatsen de inrichting te veranderen, wordt beoogd de schade aan het provinciale areaal te minimaliseren. Tot slot wordt met het inzetten van de wettelijke mogelijkheden, waaronder de provinciale (vaar)wegverordening, de kans op incidenten op en aan het areaal beperkt.

Uit een onderzoek bij soortgelijke organisaties, waaronder bij Rijkswaterstaat, blijkt dat er onvoldoende ervaringsgegevens ontsloten zijn om een gefundeerde kwantificering van kans en impact voor onverwachte incidenten te bepalen.

Status

-

25.

Ontwikkeling loonkosten (stijging werkgeverslasten en CAO)

Omschrijving

De kans bestaat dat de loonkosten stijgen als gevolg van exogene factoren. Het betreffen wijzigingen in de percentages van de pensioenpremie en wijzigingen in diverse grondslagen en premies, bijvoorbeeld met betrekking tot WAO/WIA, zorgverzekeringswet, werkgeversbijdrage IPAP en levensloop (de zogenaamde werkgeverslasten). De provincie is verplicht deze wettelijke percentages toe te passen. In de afgelopen jaren schommelde het percentage voor de stijging van de werkgeverslasten tussen de 1,5% en 2%. Afspraken over een nieuwe CAO (op 31-12-2016 liep de vorige CAO af) zullen eveneens een kostenverhogend effect hebben op de loonkosten.

Impact

Uitgaande van 2% stijging werkgeverslasten bedraagt het financiële risico, op basis van het totaal aan vaste loonkosten 2016, € 2 mln.

Uitgaande van een structurele loonstijging van 1% (dit is gelijk aan de huidige inflatie) bedraagt het financiële risico van een nieuwe CAO € 1 mln.

Maatregelen

In het Hoofdlijnenakkoord 2015-2019 is opgenomen dat alle budgetten de nullijn volgen. Indien de loonkostenontwikkeling (substantieel) hoger wordt dan tot op heden voorzien, dient dit te worden opgevangen in de ontwikkeling van het accres van het Provinciefonds. In alle andere gevallen zal tot een integrale afweging binnen het financieel kader worden overgegaan.

Status

Voor wat betreft de stijging van de werkgeverslasten is het een jaarlijks terugkerend, exogeen risico. De loonstijging als gevolg van CAO-afspraken is afhankelijk van de concrete afspraken en de looptijd.

26.

Risico's regeling Individueel Keuzebudget (IKB), bovenwettelijke verlofdagen

Omschrijving

De hoogte van de loonkosten kunnen worden beïnvloed door de invoering van het Individueel Keuzebudget.

Impact

De impact van het risico wordt bepaald door de wijze waarop de medewerkers gebruik gaan maken van de mogelijkheden van het IKB. De bovenwettelijke verlofuren worden toegevoegd aan de regeling en worden in principe uitbetaald. Dit zal leiden tot een stijging van de loonkosten, tenzij de medewerkers de bovenwettelijke verlofuren terugkopen.

Maatregelen

De regeling zal worden gemonitord op gebruik.

Status

Het IKB is ingegaan op 1 januari 2015.

27.

Uitbetalen obligaties uitgegeven in 1957 en 1959

Omschrijving

In 1957 en 1959 heeft de provincie Zuid-Holland obligaties uitgegeven. In de periode van 30 jaar na uitgifte was de provincie verplicht om rentecoupons te vergoeden. Dit is inmiddels niet meer actueel. Daarnaast kunnen de eigenaren van de obligaties aanspraak maken op de hoofdsom. Hieraan is geen maximale termijn gekoppeld. De gemiddelde hoofdsom van een obligatie wordt ingeschat op € 57,-. Het aantal uitgegeven obligaties bedraagt circa 8.000. In totaal gaat het om een bedrag van € 0,5 mln.

Impact

Verzoeken tot uitkering van de hoofdsom worden sporadisch ontvangen. Dat zou kunnen betekenen dat van veruit de meeste obligaties de hoofdsom is uitgekeerd. Dat kan echter niet met zekerheid worden gezegd, omdat niet bekend is van hoeveel obligaties de hoofdsom inmiddels is verzilverd. Veelal gaat het om erfgenamen die uit de inboedel van de overledenen aanspraak kunnen maken op verzilvering. In de periode 2007-2016 is een bedrag op de coupons van € 20.761 uitgekeerd. De maximale schade is berekend door het maximaal openstaande bedrag te verminderen met de in 2007-2016 uitgekeerde coupons en de voorziening premieleningen die is ingesteld om de verzilvering te kunnen dekken.

Maatregelen

Er is een voorziening voor de premieleningen 1957 en 1959. Stand voorziening ultimo 2016 op basis van de huidige cijfers bedraagt € 72.268.

Status

Verzoeken tot uitbetalingen worden in behandeling genomen.

28.

Sloopkosten voormalige provinciale bescherming bevolking (BB) bunker

Omschrijving

De provincie huurde tot 1999 van Staatsbosbeheer in de Coepelduinen in Noordwijk een bunker voor haar rol in de civiele verdediging (bescherming bevolking). De bunker is toen afgedekt, waarbij het ondergrondse deel in stand is gelaten. De provincie heeft zich verplicht dit deel op haar kosten te verwijderen, indien nieuwe regelgeving dit vereist.

Impact

De sloopkosten worden geraamd op € 0,5 mln.

Maatregelen

Niet van toepassing.

Status

Het risico dat alsnog het ondergrondse deel van de bunker moet worden verwijderd, is gering.

29.

Invoering omgevingswet

Omschrijving

Op 22 maart 2016 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Omgevingswet. Beoogde invoeringsdatum van de wet is begin 2019. In het bestuursakkoord tussen Rijk, IPO, UvW en VNG d.d. 1 juli 2015 is afgesproken vooruitlopend op de invoering van de wet te werken aan de implementatieopgave, een impactanalyse uit te voeren en financiële onderzoeken te doen.

De Omgevingswet vervangt 26 wetten geheel of gedeeltelijk (bijvoorbeeld Wabo, Wro, Tracéwet) en is een kaderwet, nadere regelgeving wordt vastgelegd in vier Algemene Maatregelen van Bestuur. De wet gaat uit van het 'decentraal tenzij' principe en beoogt onder andere het stelsel beter en eenvoudiger te maken. Helder is dat de invoering van de wet de provincie incidenteel geld zal kosten en dat het baten moet opleveren voor de maatschappij (initiatiefnemers; burgers, bedrijven). De uitkomst van de financiële onderzoeken is samengevat in het 'syntheserapport'. Dit is onvoldoende robuust bevonden (BO 14 januari 2016) om tot een definitief beeld te komen.

Impact

Om de implementatie te kunnen realiseren is een eerste inschatting gemaakt van de transitiekosten voor de provincie Zuid-Holland. In het bestuursakkoord is namelijk afgesproken dat decentrale overheden deze kosten zelf zullen dragen (bestuursakkoord 1 juli 2015). Het Rijk financiert de invoeringskosten. De transitiekosten voor de provincie Zuid-Holland worden ingeschat op € 6 mln incidenteel in de periode 2016-2019. Het betreft hierbij onder andere de bekostiging van digitaliseringsverplichtingen vanuit de Omgevingswet en tijdelijke, extra formatie om de transitie te begeleiden zowel intern als in relatie tot de externe partijen.

Van de structurele kosten vanaf 2019 (en mogelijke opbrengsten) is momenteel nog geen inschatting te maken, ook omdat er nog geen definitief scenario is gekozen voor het digitale spoor. Het digitale spoor loopt tot in 2024. Met de Minister is overeengekomen in 2018 deze kosten nader in beeld te brengen. Deze worden verdeeld via een nader te bepalen verdeelsleutel over de bestuurlijke partijen.

Maatregelen

Er is een Risicoanalyse opgesteld op basis van een digitale uitvraag en risicosessie. Beheersmaatregelen zijn geformuleerd. Verder is een verdiepingssessies digitalisering en organisatie en middelen zijn georganiseerd.

Status

Uit de top 5 van risico's blijkt dat met name het spanningsveld tussen landelijk ambitieniveau en wat concreet kan worden gerealiseerd binnen het tijdskader het belangrijkste risico.

Op dit moment is er geen reden om het via de Voorjaarsnota 2016 gereserveerde bedrag van € 6 mln in de reserve Implementatie Omgevingswet aan te passen.